Onthaal De Evolutie De Woning De doening - Toestand rond 1900

De doening - Toestand rond 1900

E-mail Afdrukken PDF
Inhoudsopgave
De doening
Toestand rond 1900
Rond 1920
Het gazon
De moestuin
Alle Pagina's

 

Dat het een mooie doening was, hoeft geen betoog. Met de koets was het bereikbaar langs twee ingangen. De hoofdingang was aan de voet van de trappen. Door een breed gesmeed ijzeren hekken, waarvan twee vleugels open draaiden, kon men te voet, te paard en ook met de koets het domein betreden. Een breed met kleine kasseien gelegd pad liep rechtdoor, bergop naar de hoofdingang. Voor de brede arduinen trap was een ruime parkeerplaats.

Er was zelfs mogelijkheid de dieren te stallen en te drenken (water geven). Men had gelegenheid iets buiten te nuttigen onder een grote treurolm, waarvan de takken en het dichte loof een waterdichte koepel vormden, die tot bijna aan de grond reikte.

De tweede inkom was gelegen aan de Pachterstraat waar die fameus stijgende Hooiweg kruiste. Via een aarden omweg, langs een portierswoning, steeg het pad langs de rand van de vijvers. Aan de beneden vijver had men een prachtig zicht over de stad.

De andere kant van de weg was de steile bergwand dicht begroeid met struikgewas. Onderweg stonden rustbanken, tegen de wind beschut, opgesteld achter een haag van bloeiende ‘josemienen’ (jasmijnen).

Een dreef van fruitbomen leidde ons verder, langs de tweede vijver naar een waterval, waar het water komend van de een paar meter hoger gelegen vijver, vanonder het brugje neer sijpelde, langs een rotswand van gele zandsteen, dit alles omgeven met diverse waterplanten. Bij het brugsken stonden een paar rustbanken, onder een zeer oude grote dikke linde, naast een hoge treur olm.

Een beukendreef leidde naar de aanlegsteiger voor de kleine roeibootjes. Hier gekomen, kon men kiezen, ofwel door gaan naar de hoofdingang, ofwel naar de inkom via de stadszijde met een grote trappen galerij. Hier kreeg men dan een heel ander zicht op de stad: met onderaan voor zijn voeten de vijver en in de diepte, het bovendeel van de stad met zijn dominante kerktoren.

Langs de oevers was een sterk hellend gazon. Nu zouden we dat gebruiken om te zonnen, maar toentertijd met hun geblankette (witgepoederde) huid ?… Maar men kon er toch lekker picknicken en keuvelen.

De meiden en knechten hadden hier wel altijd iets te doen aan het onderhoud van de tuin en de bloemen. Anderen vonden hun bezigheid in de moestuin.

Door een hekken kwam men rechtsaf op een paadje, dat uitgaf op de uitgang van de Pachterstraat. Aan het hekken rechtdoor lag een grote moestuin. Voor u was een aarden pad, omzoomd door bessenstruiken, halfweg kruiste een baantje, dat omlijst was van verschillende soorten perelaars. Dit leidde rechts boven in een klein ijzeren hekken, dat uitgaf in de nabijheid van de trappen, die naar het Hemelrijk leidden.