Onthaal De Evolutie De Woning De doening - De moestuin

De doening - De moestuin

E-mail Afdrukken PDF
Inhoudsopgave
De doening
Toestand rond 1900
Rond 1920
Het gazon
De moestuin
Alle Pagina's

Onze tuin bevoorraadde ons van bijna alle groenten. De jonge plantjes werden in de serre geteeld, en dan hier uitgeplant. De bemesting kwam van de twee schapen en de konijnen. Scheikundige vetten werden zeer zelden gebruikt. Achter de steenput was een grote plaats ingenomen door de aardbeien. Doordat ze daar beschermd stonden, hadden we er vroeg, en werden ze ook groot. Er werden elk jaar oude struiken gerooid en vervangen door jonge plantjes. Ze brachten wel minder op, maar het waren grotere bessen, het tweede en derde jaar brachten ze het meest op, maar elk jaar werden de bessen kleiner, en dienden de struiken dus te worden vervangen.

De grote helft van de tuin werd met patatten beplant. Daarvoor kwam Phile, de knecht van bij de tanten. Eerst spitte hij de ganse tuin om met de spade en werd het mest ingegraven, dan liet mama de kippen er vrij op lopen, want die waren verzot op de regenwormen, die nu vrijkwamen. Een paar dagen later werden de eerste patatten geplant. De sla die in de serre reeds was uitgezaaid werd hier dan ook een deel uitgeplant. Later kwam het zaaien van de radijsjes en de ajuin en de spinazie. De andere groenten volgden op hun beurt: de erwten met hun rijsters, hiervan werden twee beddekens gezaaid, één voor de sloorkens (nog niet volledig ontwikkelde erwtjes), en één van de gewone erwtjes, naast de bonen met hun hoge staken. Op de beneden kant waren de ene helft bieten, en schorseneren en bitterpeeën, later opgevolgd door rapen voor de beesten.

Nabij het hekken stonden de tuinkruiden met tijm en Franse Selder en zilveruitjes en nog meer.

Tegen de baantjes stonden afwisselend zeem en stekelbessen die voor lekkere gelei zorgden.
Na het rooien van de eerstelingen werden die opgevolgd door de jonge preiplantjes, uit de kweekbakken in de serre. Telkens er een rij aardappels verdween, kwam er prei in de plaats.
Van de fruitbomen, die overal stonden, waren het merendeel perelaars. Sommige hadden een schoon klinkende naam, maar ik ben er nooit echt op verlekkerd geweest. De kerselaar die we hadden was een heel goede soort van ‘krakers’. Maar weet ge wie er het meest van at? : de spreeuwen. We mochten al content zijn als we eens een ongerepte aan troffen. Ge mocht er vogelschrikken in hangen,en pluimen op een patat aan een koordeken, ze schenen er mee te lachen en als ge kwam kijken, lagen er weer lege kersenpitten te blinken. Toen heeft papa een karabijntje gekocht, maar hij mocht er niet mee schieten van ons mama, ’t was van :“ Och arme die beestjes.”en ‘t karabijn is in den hoek van hun kleerkast geborgen voor altijd. De enige appelaar die er toen nog stond was een zeer lekkere en zoete. Maar de schapen waren ons vóór, als het op oogsten aankwam, eerst waren het die met ‘maaisteken’ (madesteken) en later d’ andere. Met hun harde kop konden ze zulke grote bonken geven tegen de stam, dat de rijpere neervielen, om dan te worden opgeknabbeld. Of ze stonden op hun achterste poten en reikten tot aan de takken en dan schudden. De meeste appels die wij aten kwamen van bij de tanten of van bij Bompapa van Zandbergen.
Overal verspreid vond men kriekelaars, en maar goed ook, voor de geliefde confituur die ze ons bezorgden.
Op een verloren hoeksken stonden een drietal rabarberstruiken. Rabarber geeft immers een fijne confituur op, maar is zo uit de hand ook niet te versmaden. Een echte lekstok.