De doening

Em. De Cooman (Appelterre) De Woning
Afdrukken

Villa Oudenberg rond 1900

 

 


 

Dat het een mooie doening was, hoeft geen betoog. Met de koets was het bereikbaar langs twee ingangen. De hoofdingang was aan de voet van de trappen. Door een breed gesmeed ijzeren hekken, waarvan twee vleugels open draaiden, kon men te voet, te paard en ook met de koets het domein betreden. Een breed met kleine kasseien gelegd pad liep rechtdoor, bergop naar de hoofdingang. Voor de brede arduinen trap was een ruime parkeerplaats.

Er was zelfs mogelijkheid de dieren te stallen en te drenken (water geven). Men had gelegenheid iets buiten te nuttigen onder een grote treurolm, waarvan de takken en het dichte loof een waterdichte koepel vormden, die tot bijna aan de grond reikte.

De tweede inkom was gelegen aan de Pachterstraat waar die fameus stijgende Hooiweg kruiste. Via een aarden omweg, langs een portierswoning, steeg het pad langs de rand van de vijvers. Aan de beneden vijver had men een prachtig zicht over de stad.

De andere kant van de weg was de steile bergwand dicht begroeid met struikgewas. Onderweg stonden rustbanken, tegen de wind beschut, opgesteld achter een haag van bloeiende ‘josemienen’ (jasmijnen).

Een dreef van fruitbomen leidde ons verder, langs de tweede vijver naar een waterval, waar het water komend van de een paar meter hoger gelegen vijver, vanonder het brugje neer sijpelde, langs een rotswand van gele zandsteen, dit alles omgeven met diverse waterplanten. Bij het brugsken stonden een paar rustbanken, onder een zeer oude grote dikke linde, naast een hoge treur olm.

Een beukendreef leidde naar de aanlegsteiger voor de kleine roeibootjes. Hier gekomen, kon men kiezen, ofwel door gaan naar de hoofdingang, ofwel naar de inkom via de stadszijde met een grote trappen galerij. Hier kreeg men dan een heel ander zicht op de stad: met onderaan voor zijn voeten de vijver en in de diepte, het bovendeel van de stad met zijn dominante kerktoren.

Langs de oevers was een sterk hellend gazon. Nu zouden we dat gebruiken om te zonnen, maar toentertijd met hun geblankette (witgepoederde) huid ?… Maar men kon er toch lekker picknicken en keuvelen.

De meiden en knechten hadden hier wel altijd iets te doen aan het onderhoud van de tuin en de bloemen. Anderen vonden hun bezigheid in de moestuin.

Door een hekken kwam men rechtsaf op een paadje, dat uitgaf op de uitgang van de Pachterstraat. Aan het hekken rechtdoor lag een grote moestuin. Voor u was een aarden pad, omzoomd door bessenstruiken, halfweg kruiste een baantje, dat omlijst was van verschillende soorten perelaars. Dit leidde rechts boven in een klein ijzeren hekken, dat uitgaf in de nabijheid van de trappen, die naar het Hemelrijk leidden.

 


rest grote vijverbijenkotDoordat tijdens de oorlog 1914-18 de Duitsers hier hebben verbleven was het geheel sterk vervallen. Toen mijn ouders hier kamen wonen rond 1920 bleef van de pracht niet veel meer over. De vijvers waren gedempt, alleen in de grote weide restte een verzamelput waar het vuil in werd vergaard. Er stond altijd wel een beetje water in dat van den talud afstroomde. Om veiligheidsreden heeft papa dat omgeven met een afsluiting.


Omdat papa een fervent imker was heeft hij in de jaren 25 een bijenkot gemaakt op de rand van de scherpe bergaf. Elk jaar werd dan in de lente de honing geoogst, dat was een groot evenement want verschillende kennissen kwamen dan helpen in hun beschermende kledij. Er hing een walm van bedwelmende rook over de korven. Van de drie strokorven, aan de onderste openingen, zijn er nooit meer dan twee bewoond geweest. De rest waren kisten. Ze hadden meer trok bij de bijen. Ook voor het oogsten en bijvoederen waren die handiger. De kisten werden van hun raten ontdaan in het kot zelf, en de bassins, met honing en al, werden dan in de grote keuken in een speciale essoreuse geslingerd. Uit de toot (tuit) kwam dan de goudgele honing. Die in grote kommen werd opgevangen, om dan later in bokalen te worden over geschept. Daarna werd aan de bijen speciale bijensuiker teruggegeven. De eerste dagen moest ge dan wel de nesten mijden, want sommige bijen waren nog een beetje agressief. In de winter werden ze van binnen beschermd met stro.
Toen er een paar jaren later een verwilderde nest kwam huizen is kort daarna de volledige kolonie gestorven. In de Pachterstraat aan de overzijde had een bloemist, Remi Flip, van op de Vesten, zijn serres opgesteld en heeft waarschijnlijk ook de eerste insecticiden gebruikt.

De wanden van de gemetste vijvers lagen ver onder de dikke grasmat. Dit metswerk van minstens één steen dik, hebben we ontdekt, toen we in 1940 een schuilkelder wilden bouwen aan het brugsken.
Nu liepen hier geen knechten en meiden meer, maar een steeds groeiende bende kleuters.
De grote pelouse was afgezoomd met tralies en daar liepen het hele jaar door een paar schapen. Later kregen die gezelschap van twee ganzen. De pelouse vanvoor die maaide papa soms eens af met de zeis voor het hooi. Sommige periodes werden de schapen er op gestekt. Dat is: de schapen waren altijd voorzien van een halsband. Aan die halsband werd dan een ketting van twee a drie meter gekoppeld, voorzien van een draainagel en, door een grote ring, over een stevige ijzeren staaf vastgemaakt. Zo werd er elke dag, dan een paar meter alles volledig afgegraasd. De schapen eten liever de beste blaadjes eerst, en laten de rest staan voor later, en zo moesten ze nu alles afgrazen of honger lijden. Meestal hadden ze dan ook gezelschap van konijnen in de renne.

Maar als er kleine konijntjes bij waren werd de renne overdekt.
De kippen bleven met de ganzen op de grote pelouse. Soms verdween er één, die haastig naar de stal trok, om voor een ei te zorgen, aan hun gekakel te horen. Als de ganzen met veel tamtam naar de stal trokken was het ook van dat.
Die eieren werden dan regelmatig geroofd. Eén ganzenei verving drie kippeneieren in gebak en gebraad. (Dat was voor ons de lekkerste periode van het jaar.)
De ganzen legden hun eieren in de stal, meestal in de stal een verlaten konijnenkot. Op het einde van de Paasvakantie was het telkenjare de broedperiode. En dan mocht er niemand in de stal komen, behalve papa, om de schapen eten te geven en te melken, maar die had dan ook elke keer een flinke stok mee.
De eenden hadden een andere oplossing. Ze hadden een opening gevonden en konden via het brugsken naar de voor pelouse. Dat brugsken deed voor nog andere zaken dienst. Van de eenden hebben we zelden een ei opgegeten. Als we, op onzen buik gelegen, eens onder dat brugsken keken, zagen we ze wel liggen, maar de opening was te klein en zo moesten we wachten tot moedereend er met haar kroost, van rond de twaalf eendjes, te voorschijn kwam. Ondertussen hield de woerd trouw de wacht en hield elk bezoek ver weg.

Zelfs onzen Fanny (hond) durfde toen niet langs het brugsken komen.


Het grootste deel van het gras werd kort gehouden door de schapen en de ganzen. De voorste pelouse echter moest manueel kort gehouden worden. In de eerste jaren deed papa dit met de zeis.
Bij elke zeisbeweging bleef het gemaaide gras schoon op een rijtje liggen. Dat ging tamelijk snel. Naderhand moest het wel gedraaid en gekeerd worden om ten slotte in hoppers hooi te veranderen. Dat werd dan met de platte kruiwagen in de stal op de hooizolder geborgen. Op een keer kwam papa van bij de ‘voddenman’ thuis met een kapotte handmaaier. Na tien minuten kwam hij uit zijn atelier en testte de machine. Die werkte nu wel goed, men had bij het monteren een deeltje verkeerd gestoken.
Van toen af werd het tot de taak van de groten gerekend: het gras kort te houden. Doordat dit niet geschikt is als dierenvoeding, werd het op een hoop in messing gegooid waar het kon ontbinden.
Eén van de min graag gedane taken was het kasseibaantje van aan het hekken tot aan d’ achterdeur grasvrij te houden en dan werden alle beschikbare handen met een bot mesje uitgerust om dat koppige gras te verwijderen. Een ganse namiddag was er werk aan met mama voorop. Toen later de eerste ‘allesverdelgers’ er door kwamen werden we ook een vast gebruiker, want er liepen nogal wat baantjes hier en in de moestuin.


Onze tuin bevoorraadde ons van bijna alle groenten. De jonge plantjes werden in de serre geteeld, en dan hier uitgeplant. De bemesting kwam van de twee schapen en de konijnen. Scheikundige vetten werden zeer zelden gebruikt. Achter de steenput was een grote plaats ingenomen door de aardbeien. Doordat ze daar beschermd stonden, hadden we er vroeg, en werden ze ook groot. Er werden elk jaar oude struiken gerooid en vervangen door jonge plantjes. Ze brachten wel minder op, maar het waren grotere bessen, het tweede en derde jaar brachten ze het meest op, maar elk jaar werden de bessen kleiner, en dienden de struiken dus te worden vervangen.

De grote helft van de tuin werd met patatten beplant. Daarvoor kwam Phile, de knecht van bij de tanten. Eerst spitte hij de ganse tuin om met de spade en werd het mest ingegraven, dan liet mama de kippen er vrij op lopen, want die waren verzot op de regenwormen, die nu vrijkwamen. Een paar dagen later werden de eerste patatten geplant. De sla die in de serre reeds was uitgezaaid werd hier dan ook een deel uitgeplant. Later kwam het zaaien van de radijsjes en de ajuin en de spinazie. De andere groenten volgden op hun beurt: de erwten met hun rijsters, hiervan werden twee beddekens gezaaid, één voor de sloorkens (nog niet volledig ontwikkelde erwtjes), en één van de gewone erwtjes, naast de bonen met hun hoge staken. Op de beneden kant waren de ene helft bieten, en schorseneren en bitterpeeën, later opgevolgd door rapen voor de beesten.

Nabij het hekken stonden de tuinkruiden met tijm en Franse Selder en zilveruitjes en nog meer.

Tegen de baantjes stonden afwisselend zeem en stekelbessen die voor lekkere gelei zorgden.
Na het rooien van de eerstelingen werden die opgevolgd door de jonge preiplantjes, uit de kweekbakken in de serre. Telkens er een rij aardappels verdween, kwam er prei in de plaats.
Van de fruitbomen, die overal stonden, waren het merendeel perelaars. Sommige hadden een schoon klinkende naam, maar ik ben er nooit echt op verlekkerd geweest. De kerselaar die we hadden was een heel goede soort van ‘krakers’. Maar weet ge wie er het meest van at? : de spreeuwen. We mochten al content zijn als we eens een ongerepte aan troffen. Ge mocht er vogelschrikken in hangen,en pluimen op een patat aan een koordeken, ze schenen er mee te lachen en als ge kwam kijken, lagen er weer lege kersenpitten te blinken. Toen heeft papa een karabijntje gekocht, maar hij mocht er niet mee schieten van ons mama, ’t was van :“ Och arme die beestjes.”en ‘t karabijn is in den hoek van hun kleerkast geborgen voor altijd. De enige appelaar die er toen nog stond was een zeer lekkere en zoete. Maar de schapen waren ons vóór, als het op oogsten aankwam, eerst waren het die met ‘maaisteken’ (madesteken) en later d’ andere. Met hun harde kop konden ze zulke grote bonken geven tegen de stam, dat de rijpere neervielen, om dan te worden opgeknabbeld. Of ze stonden op hun achterste poten en reikten tot aan de takken en dan schudden. De meeste appels die wij aten kwamen van bij de tanten of van bij Bompapa van Zandbergen.
Overal verspreid vond men kriekelaars, en maar goed ook, voor de geliefde confituur die ze ons bezorgden.
Op een verloren hoeksken stonden een drietal rabarberstruiken. Rabarber geeft immers een fijne confituur op, maar is zo uit de hand ook niet te versmaden. Een echte lekstok.