Plan

Om u een beter beeld te kunnen vormen, heb ik een plannetje per verdiep geschetst, alhoewel de maten en de verhoudingen niet juist zijn, is dit plan een leidraad, om samen met de schetsen, u een goed beeld te kunnen vormen van de situatie in die tijd.

Benedenverdieping

 

Plattegrond Gelijkvloers kelder

klein keuken

grote keuken

washuis

serre

wijnkelder

badkamer

toilet

1ste verdieping

 

Plattegrond 1ste verdiep Gang

Salon

Eetplaats

Veranda

2de verdieping

 

Plattegrond 2de verdiep

Zolder en mansarde

 

Plattegrond zolder en mansarde

Villa Oudenberg rond 1900

 

De benedenverdieping

Het Washuis

“Wie toont er nu eerst zijn washuis?” zult ge u vragen. Wel, om onze gewone levensruimte te betreden, moest ge door ons washuis. Of ge nu van de hoofdingang binnen kwaamt, of van uit de stal, of van de peloese ge moest door het washuis, om binnen te kunnen.
En dus beginnen we daar met een woordje beschrijving.
het washuis

Een driedubbele deur met kleine glazen ramen sloot de ruimte af, die meer weg had van een verzameling van deuren. De grote arduinen pompsteen, met grote ijzeren pomp, vulde de hele rechterhoek. Daarnaast was de deur van de serre, waar enkele druivelaars stonden, en waar, in de verschillende bloembakken, de groenten werden uitgezaaid.
Daar rechtover waren de deur voor de grote keuken en een brede deur die leidde naar een kort gangske. Daarin waren, recht voor u, de grendeldeur, die u terug buiten leidde, links naar de stal en rechts het kasseibaantje op naar het hekken aan de trappen van den Oudenberg. Rechts waren in het gangsken, de WC deur, en links de deur van de donkere kamer.
Tussen al die deuren was er een ruimte. Hier bevonden zich vroeger de driepikkel met kuip en de toenmalige wasmachine. Dit was een hoge kuip met op de kop, over de twee handvaten, een zwengel, die een stokkenstel bewoog.
In den hoek had mijn vader een vernuftige ketel gebouwd. Op hanken, hier en daar stonden allerlei ingrediënten die bij het wassen toen gebruikt werden.

De Serre

In de serre stonden enkele oude druivelaars in bakken, die tot kniehoogte reikten. In die bakken was goede teeltaarde aangebracht. Doordat de serre aan de zuidkant lag, en beschermd voor de noordenwind, was het er altijd goed warm. Om de plantjes water te geven, was aan de stadszijde een kleine citerne met een kleine pomp.

’t Eerste wat we elk jaar hadden, waren de radijsjes. Daar was papa verzot op. Dan volgden de sla. En de jonge worteltjes en.. en…
SerreIn een hoek werden elk jaar de tomaten gekweekt opgebonden aan lange stokken. Ge zaagt ze groeien in de broeiende warmte. In de zomer werden de roze tomaten geplukt en op een plank te rijpen gelegd. Als ze niet schoon gevormd waren voor op de koude schotel, waren ze toch goed voor de soep.
De kweekbakken aan de huiszijde werden mettertijd leeg gemaakt, en deze tegen de deur diende als koolkelder, maar daar stond ook het brandhout in een houten bak, later werden de grote houtblokken voor den douche er ook in gestapeld. Vroeger stonden die naast de steenput opgesteld in een ‘mijte‘ (opeengestapeld hout). Maar het is niet altijd droog weer als er moest gewassen worden, dus werd er een reserve binnen gehaald.
Aan de andere kant van de deur, heeft papa bij het komen van ‘den elektriek’ een motor van driekwart paard gezet, die de elektrische wasmachine aandreef en later ook de ‘essoreuse’ (droogzwierder) bediende. Wat verder heeft hij dan een houtdraaibank geïnstalleerd. En dat draaide allemaal met dezelfde motor met riemen en ‘poulies’ (riemschijven), die ge met een houten hefboom kondt bedienen vanuit het deurgat.
Die essoreuse had hij zelf ineengestoken. Het was de eerste die in ’t stad draaide, en ze heeft toen veel ‘bezien’ gehad. Met een gewapend betonnen kuip, waar de roulementen waren ingegoten, en een as speciaal naar zijn maten gedraaid bij ‘Juul van den Daelen,’ in de Karmelietenstraat. De zelfgemaakte koperen trommel kon een kleine wasmand ineens droog zwieren, bijna klaar om te strijken. Omdat ze door de trillingen altijd wegdanste, heeft hij ze op een autoband gezet en de miserie was gedaan.
Als het regende, kondt ge in de serre droog spelen met de karrekens en met de marbels. Met ballen mocht niet, want de plantjes zouden kunnen worden gekreukt.

 

Het Toilet

Via het washuis kwamen we in de gang naar de WC.Toilet

Deze verglaasde faience moderne pot was omkleed tot aan het plafond met witte tegeltjes. Het was de officiële wc van het vroegere luxe café, en was van het type van directe afvoer naar de beerput eronder.
Natuurlijk bestond er toen nog geen waterspoeling en moest dit gebeuren met een geëmailleerde kan. Af en toe werd de pot eens behandeld met azijn om de vlekken weg te doen. Een eikenhouten bril, met deksel, sloot het geheel af. Aan een koperen haakje hingen een bundeltje vierkant gesneden papier, met koordeken bijeengehouden. ’t Beste papier was dat van de telefoonboeken. Ge moest dat stijf papier eerst eens goed verkreukelen, voor het gebruik.
In een hoek, onder het venstertje dat altijd op een kier openstond, stond de emaillen nachtemmer, die getrouw elke avond mee naar boven werd gedragen.

 

De Donkere Kamer

Rechtover de WC, aan de andere kant van de gang, onder de trap die naar boven leidde, was de donkere kamer van papa, waar hij zijn experimenten deed met de fotografie. Eerst was het maar onder de trap alleen, maar hij heeft het dan uitgebreid tot gelijk met de trap vooraan, over de breedte van de gang, zodat hij het wat ruimer had.
Breekbare glasplaatZijn eerste toestel was nog met glasplaten, die hij eerst zelf moest gieten in de donkere kamer. Daar moest het toestel eerst geladen worden en na het nemen van de foto, ook van de breekbare plaat ontdaan worden. Het devies van toen luidde: zo snel mogelijk fixeren.
Dan mochten we hem zeker niet storen.

Een geluk, want daardoor heeft hij ons veel beeldmateriaal nagelaten. Hij had later, toen we over ‘elektriek’ beschikten, een vergroter en heeft daar vele foto’s mee gemaakt die we nu nog mogen bezien. Eerst waren het bromures, die in de zon moesten belicht worden, later op gewoon fotopapier, dat in zijn verschillende baden moest bewerkt worden.
Uit zijn experimenten herinner ik mij zijn eerste ‘kleurendia’. Volgens zijn latere verklaringen heeft hij de bloemen 3 uren moeten belichten. Spijtig was het op glas en is dit gebroken geraakt.
Onder een dikke zwarte doek, het apparaat stond op een grote houten pikkel, moest hij het beeld omgekeerd bespeuren en scherp stellen en daarna de sluiter afdrukken. Rond de jaren ‘35 heeft hij dan zijn Roleiflex 4×4 gekocht.

RoleiflexEven kort het procédé:
“Men giet op een glasplaat een gevoelige laag. Men bestrooit dit met aardappelbloem, die in gelijke delen in de hoofdkleuren is gekleurd en mengt deze grondig. Men gebruikt deze plaat binnen een beperkte tijd en belicht deze gedurende drie uur. Men fixeert ze met de gewone producten en bekomt dan, door een omkeerbad, een dia.”

Fototoestellen

 

De Grote Keuken.

Grote keukenDoor een halfglazen deur betraden we de grote keuken. Zo hoog was het hier niet, ik schat 2.30 m, tegenover boven, daar was het zeker 3 meter of nog meer.
In een hoek stond de grote arduinen afwasbak. Daaronder in de koele ruimte stonden twee emaillen emmers, voorzien van vers opgehaald putwater. Daar hing een emaillen pollepel aan het rek erboven, om het water te nemen.
Daarnaast was een kastje aangebouwd, waar de nodige kristalsoda in een houten bakje stond, met op het plankje hoger het stalen sponsje, de reserve van stekjes, en in groen papier gewikkeld, een doosje vetkaarsjes(geen lichtkaarsen), naast andere spullen.
VetkaarsjeOp het bovenblad stond een stel van pinnen om de borden tussen te laten afdruppen.
Aan de rekken hing verschillend keukengerei, zoals aluminiumen pollepels en een wit emaillen verzijp. (vergiet)Vergiet
Op den hoek hingen twee wit-rood gestreepte lijnwaden keukenhanddoeken. Op de hank stond in den hoek de grote aluminium soepketel met langs de ene kant de aluminium kommen en pannen naast elkaar en langs de andere kant, de zware gietijzeren geëmailleerde potten en pannen.

Dan volgt het venster. Door het jaarlijkse verven was het zeer moeilijk het raam te openen. Het werd dicht gehouden door een ‘warrelken’,dat ge moest draaien, en het was zo toegeverfd, dat ge soms een hamer nodig had om het open te draaien. Vóór het raam langs buiten waren dikke ijzeren staven geplaatst, om ongewenst bezoek weg te houden.
NaaimachineHet gasvuur stond op een houten kast met een ijzeren blad dat aan de kanten omhoog geplooid was, uitgenomen de voorkant. (om het overgekookte in op te vangen.) Het was voor zijn tijd een modern toestel met drie ‘bekken’. Op de twee buitenste konden de grootste potten staan, het middelste was kleiner, maar het had een rooster, waar de ijzeren strijkijzers op konden gewarmd worden. Onder het middelste was de oven, met twee ‘bekken’, één om te bakken, en één om te grillen. Op de verstelbare platen heeft mijn moeder veel fijne koeken, en vooral haar geleitaarten gebakken. Het gebraad, dat daar uit te voorschijn kwam, was altijd veel beter dan dat van uit de cuisinière.
Daarnaast stond, onder een hangkast, het naaimachine, onder het gewelfd houten deksel, blonk de Berckley. Een naaimachine, met een speciale spoel, dat de meeste van onze hemden aan elkaar verbond, en waar de bekwame vingers keurige kleedjes in elkaar zetten, afgezoomd met witte kantjes. Hoe sneller de voeten trapten, des te sneller snorde de machine en liet een degelijke naad achter. De stof kocht mama bij ons tante ‘Gusta’, die – sinds ze weduwe werd – een textielhandel dreef in de Grote straat.
In de hangkast daarboven lagen tijdschriften. Maar vooral de dikke telefoonboeken waren in trek, want dat was maar een stap van de telefoon af.
Daartussen was de – met gedecoreerd doorschijnend papier overplakte – glazen dubbeldeur van de badkamer. Zo beschermde dit de privacy. De badkamer was een ruimte, onder de grote trap, langs de achterzijde van het gebouw. Met langs beide zijden een buitendeur.
TelefoonIn den hoek hing de telefoon. ‘Nummer 268’, weet ik nog. Hij hing hoog zodat we er geen misbruik van konden maken. Toen ging alles nog manueel. Mama of Papa draaiden even aan de telefoonzwengel met de rechterhand, terwijl ze met de linker de hoorn uit de gaffel opnamen en deze aan hun oor brachten. In den hoorn weerklonk dan de stem van de telefoniste : “Geraardsbergen” en dan moest ge in de micro (een verchroomd trechtertje, midden onder de chromen bellen) antwoorden: –“Wilt ge mij nummer 111 geven “ (dat was het nummer van dokter Van der Schueren) en daarop volgde: “Een ogenblik als ’t u belieft, ik zal u terug bellen !”. Dan moest ge weer den hoorn aanhaken en wachten. Naar gelang de drukte in de centrale kreegt ge snel een verbinding. Zeker als het in de stad was, ging dat snel.
En werd er teruggebeld, dan kondt ge uw gesprek beginnen. Maar, geloof mij, dat veel gesprekken werden meegeluisterd door de nieuwsgierige telefonistes. Soms verklapten die zichzelf achteraf, als ze uw verbinding afbraken. Want na uw gesprek moest ge nog eens bellen.
Als het gesprek soms te lang duurde, of er te lang niets werd gezegd, werd er vanuit de centrale soms nog eens ‘” bezig? “ gevraagd. En dan moest ge snel reageren met –“Ja” te zeggen of de verbinding werd verbroken. Ook na drie minuten, de vaste eenheid, die bij een gesprek werd aan gerekend, kwam soms de vraag –“Bezig?”, of “ Drie minuten? “.
Als mama soms naar een vriendin belde, kon het wel eens uitlopen, volgens de factuur, die netjes de tijd in minuten en seconden noteerde, en berekende, beliep dit record 20 minuten.
Naast de telefoon hadden we de deur naar de kleine keuken. Langs de andere zijde was een lange muurkast, met grote schuifdeuren, waar de gebruikte bovenkledij hing aan diverse kapstokken. De kabouchen (klepmutsen) lagen op een plank. Daar lagen ook de handdoeken en de tafelkleren in het middelste vak, en uiterst rechts hingen de overkleren, jassen en capuchons (regenjassen) elk op zijn plaats.
In den hoek was de deur naar de gang. Dat was een schuifdeur die, door een lederen riempje, door middel van een katrol met een gewicht, dichtgetrokken werd.
Want als ge aan de cuisinière zat, kon het er erg trekken. In de gang om naar boven te gaan was links de deur naar de kelder, en recht voor u deze van de ‘wijnkelder’. Rechts van u was de trap naar boven.

Capuchon

 

 

 

De Kelder

Wij noemden dat zo, omdat de ruimte twee trappen lager lag. Daar was er de ruwe vloer van gebakken blauwe tegels. In die kelder werd de grote voorraad opgeslagen voor een hele winter. Daar stonden in twee grote houten bakken de voorraad patatten voor een hele winter.
KelderOp een plaats naast de patatten stond de drank:
plat bronwater in glazen flessen hebben we nooit gezien, daar was een vers geschept glas van ons putwater goed voor. Maar als ge Vichy of Vittel moest hebben, dan was dat om medische redenen, en dan moest ge dat, per fles, bij den drogist of den apotheker gaan halen. Spuitwater, dat hadden we van in de Kloosterstraat bij Haegeman. Die flessen hadden een speciaal stopsel. In den hals van de fles zat een glazen marbel, die de fles gasdicht afsloot. Maar spijtig genoeg kon hij er niet uit.
Zwaar bier was hier eenvoudig niet te vinden. Papa dronk nooit. Alleen brachten de tantes soms eens een flesje’ Leuvens ‘ mee. En dat was dan voor ons mama, als ze in verwachting was. Nu drinken ze een ‘Stout’. Ze brouwden dat zelf van uit de restjes van bier, uit hun drankgelegenheid, en dat gemengd werd met gist en bruine suiker en dan direct sluiten zodat er druk opkwam. Maar ge kondt het niet lang bewaren, wij mochten dan wel eens wat meedrinken, om goed te slapen.

Daarnaast stonden de bakken tafelbier met glazen flessen, met mechaniek stopsel. Die bracht papa mee op de ‘porte bagage’ van zijn moto van bij Elodie Ronimus. Ons, kinderen, interesseerde alleen maar het rood rubbertje. Dat verwerkten we in ons zelfgemaakte karretjes of speelgoed, en aan het einde van onze dopkoord tegen de knoop.
bierIn den achterkant van de kelder, onder de lange legplanken stonden de verschillende testen (stenen tobben of tonnetjes), waar de verschillende soorten groenten in bewaard werden, onder meer de prinsessen en snijbonen. In grote bokalen stonden zowel krieken op azijn, als op jenever, met daarnaast de zilverajuintjes en de ‘jefkensperen’ en de ‘cornichonskens’ op azijn.
Bij overvloed van eieren werden die ook bewaard in een test, gevuld met ‘silicat de potas’. De eieren werden er ingelegd en overgoten met dat vocht en ondergehouden met een ronde steen. Voor gebruik werden die dan onder de pomp flink met regenwater afgespoeld. Ze waren zo goed als vers.
In den hoek stonden bakken met zand, die dienden om de kolen (groenten) en de wortels in te bewaren. Als het de eerste keer vroor, werd er ook een voorraad voor enkele dagen prei uit den hof half ingegraven, zodat er geen moest worden uitgekapt uit de verharde grond.

Op de verscheidene legplanken stonden de massa confituurpotten netjes soort bij soort. De krieken, de zeembessen en de stekelbessen, de abrikozen en vooral de pruimen. Appelconfituur en kweeperengelei werd er later aan toegevoegd. De kleine conische glazen potten vol met confituur, goed afgedekt met paraffine, stonden netjes op een rij. Soort bij soort, alhoewel ze, naargelang ze eerder gemaakt werden, soms iets van kleur konden schelen,
Achteraan stonden de grote ‘bokalen’, waarin vroeger haring gelegen had. Die werden dan, als de kleine ‘bokalekens’ leeg waren, in kleinere overgeschept.
Normaal gesproken hadden we voor een heel jaar ons gerief. En als we er dan toch eens doorzaten, werd de confituur vervangen door de groene kartonnen dozen van ‘Luikse Perensiroop”, of door honing, zodat we, aangelokt door de zoete smaak, ons aantal boterhammen binnenspeelden. Wel werd dat een keer vervangen door gewone bruine suiker. Maar dan legden we onzen boterham eerst op de buis van de stoof, zodat die goed warm was, en de suiker met de boter smolt en zo in uwen lekkeren boterham trok.Confituur
Aan het plafond hing, voor het venstertje aan een paar ijzers, een houten vleeskast. Afgewerkt met muskietgas en vooraan van een klapdeur voorzien, op manshoogte, boven de enorme patattenbak. Dit om het allemaal te beschermen tegen vliegen en … katten en muizen.
Als Mama eens taart bakte, wat wel vaak voorkwam, werd die daarin afgekoeld en beschermd tegen …proevende kinderhandjes. Er werd daar dan soms eens vlees van ons lammeren en konijnen of kippen gedurende een paar dagen bewaard. Aan de kant binnenin, hingen een ‘tres’ droge saucissen, dat at ons mama ook eens gaarne.

Papa had een beste remedie om vallekens te zetten, hij maakte een stuksken chocolade zacht op de buis van de stoof, en deed dat op het valleken, en garantie, hij had elke keer prijs. De katten kregen dan die beestjes, en fier wandelden ze er dan mee rond, alsof ze het zelf zouden gevangen hebben.
Vlak naast de ingang van de kelder hing de ‘gasmeter’. Dat was een grote ronde bak, waar vooraan de kleine wijzertjes over een aantal wijzerplaatjes met cijfertjes ronddraaiden. Op bepaalde tijden kwam de ‘gasmeester’ de cijfertjes noteren en enkele dagen later volgde dan de factuur. Die gasmeester,Tuur, was een amateur schilder uit Boelare en hij bleef dan graag een beetje plakken in de kleine keuken, liefst naast een druppel.
In de kelder was later ook een brede plank aangebracht waar onze broodmachine op stond. Op den hank erboven lag het brood in een gesloten kastje, met een valdeur, zodat het vanzelf dicht sloeg. Onder de plank stond een kleinen emmer en van tijd tot tijd werden de kruimels erin verzameld voor de ganzen en de kiekens.

 

De Wijnkelder

In de gang was nog een deur. Die gaf uit op een holte onder de voortrap buiten. Er waren twee trappen en onder de arduinen buitentrappen waren een paar vouten gemetst, die zogezegd de ‘wijnkelder’ vormden. Er was geen vloer in en er kwam geen beetje licht binnen. Het was het schrikhok. Als we eens stout waren, werd er maar gezegd “ Ik zal u in den donkeren kelder steken!” om ons dadelijk stil te maken. Het was alleen te betreden met een licht, want het rook er vunzig en klam. ’t Was bekleed met oude zwarte spinnenwebben in de hoeken. Met een borstel eerst eens doorzwaaien, was het beste middel om die vieze dingen weg te doen. Brr !
Een paar flessen wijn lagen daar in de nissen, onder het stof en de spinnenwebben, te wachten.
Papa heeft een jaar eens zelf wijn gemaakt van vlierbessen. De rode wijn had naar het schijnt een goede smaak, maar papa dronk er zelf niet van. (Hij was er eens ziek van geweest.)
Als ik het hier over drank heb moet ik ook vermelden, dat hij enige jaren later, zelf cider heeft gemaakt, van appels uit den hof. Maar hij heeft er ook gemaakt zonder fruit, van een mengeling van wijnsteen zuur en ‘acide citrique’ met suiker en water en gedroogde essenbladeren, goudgeel gekleurd met suikerij, en dat in de warme serre laten gisten in een ‘Dame Jeanne’, met een waterslot op gedurende acht dagen. Dat werd dan overgetapt op flessen met een draaistopsel. Veertien dagen later was het drinkbaar. Dat was een lekkere drank, die parelde als champagne, maar op tijd moest verbruikt zijn omdat hij geen alcohol genoeg bevatte.

 

De Klein Keuken

Naast de grote keuken hadden we de klein keuken. Hier verliep het gewone leven. Het eerste wat opviel, in de grote ruimte van zo ’n zes meter op zes, was de grote tafel. Daarop lag, om op te eten, een toile cirée tafelkleed. Overdag werd daar dan een met handwerk versierd tafellaken overgelegd, soms ook nog eens opgevrolijkt met een sierlijke vaas met een paar verse bloemen uit den tuin. De grote rechthoekige tafel groeide met het huishouden mee. Eerst werd er langs een zijde een plank bijgestoken, later een langs de andere kant, en die werden dan later nog wat vergroot, zodat elk genoeg ruimte om zich heen had. Aan de muur was een brede bank met rugleuning gebouwd over heel den hoek.
De eenvoudige stevige houten stoelen hadden een gevlochten strozitting. De muren waren tot op een hoogte van ongeveer een meter geschilderd in donkere namaak marmer. Daarboven was het in een lichte kleur gezet en aan de plafond afgewerkt met een biesje met siertekeningen.

Als ik klein was stond er in de tegengestelde hoek een Leuvense stoof met een lange platte buis in de open schouw. Die was van binnen afgewerkt met Delftse tegeltjes, waarop versieringen stonden van molentjes afgewisseld met bootjes. De pilasters waren van rode en blauwe kleine baksteentjes, afgewerkt met wit gevoegd cement. Op de groene houten kroon, waar een rood-wit geweven boord aan hing, stonden, naast het traditioneel koperen kruisje met de bijpassende kandelaars, nog een paar koperen obussen van den oorlog ‘14-‘18. In deze op den hoek stak een gewijd palmtakje, dat elk jaar met Palmzondag werd vernieuwd. In de andere een paar pauwenveren.
Op de Leuvense stoof stond winter en zomer een koperen moor met water om de luchtvochtigheid op peil te houden. In de winter kreeg hij gezelschap van de koffiepot. Op de lange platte buis tegen de schouw waren in de winter altijd minstens twee bakstenen om ’s avonds mee in bed te nemen, om onze voeten aan te warmen.
Onder de schoorsteenmantel hingen verschillende attributen die best droog bewaard bleven: in den enen hoek hing er soms een gedroogde hesp in een grauw lijnwaden zak. Naast deze, een zak met gedroogde erwten en deze met gedroogde selder. In den notentijd hing er dan nog eentje bij met ‘sloesternoten’ (walnoten).
Die noten werden dan in de winter eruit gehaald. Door een ribbeken tussen de stooftang boven het vuur te warmen en dan goed te nijpen, werden er een paar druppels olie uitgeperst. Maar het best was uw tang eerst in het vuur zelf steken en er dan de noot op leggen, maar dat was gevaarlijk voor de vingers, want het was heet. Dat was een zeer afdoende remedie tegen wintervoeten.
De stooftang diende ook om de sintels uit het vuur te nemen en hing naast de koterhaak. Onder de stoof stond de zwarte kolenbak met koperen kolenschop. Naast de grove kolen en het gruis kwam daar allerhande afval in, die mee verbrand werd, nu gaat dat in de vuilniszak.

Aan een haak, aan den anderen kant van de schouw, hing een wafelijzer voor gewone wafels. Dat werd enige keren op het jaar vooral in de winter gebruikt. De cuisinière moest dan nogal katoen geven. Op het opengevouwd deurtje van den oven werd dan de soepketel, gevuld met deeg, warm gehouden onder een keukenhanddoek en met een soeplepel werd het lopende schuimige deeg op het wafelijzer gelepeld. Een ding weet ik nog goed : dat waren lekkere wafels, zo op een zondagavond met een jatte hete koffie. Om van te lekkerbekken! De gaatjes gevuld met bruine suiker of met een beetje boter met bloemsuiker, zo vers warm en knapperig uit de hand, want hierbij gold geen stilte, of ander protocol. Aan een haak in de kelder, hing er een wafelijzer voor galettekens en suiker wafeltjes. Eén keer, weet ik, dat het eens geprobeerd werd, maar dat was een ramp. Het kleefde zo erg toe, dat papa er een ‘toernevis’ en hamer heeft moeten bijhalen, om het te openen. Sindsdien is het in zijn hoek in de kelder blijven hangen, samen met zijn groten zwarten ring.
In de ruimte tussen de brede schouw en de deur, die naar de grote keuken leidde, stond een hoge houten zetel in rode pluche met geelkoperen nagels afgewerkt. Zo verlokkelijk, om eens knusjes in te kruipen, en te liggen luieren. Die had een verstelbare rug, door een knop onder de armleuningen in te drukken. Daarboven hing de gaslamp met een veilleuse met twee kettingskens en een grote witte lampekap.
Ze kon door een elleboogsysteem verplaatst worden. Bij het komen van ‘den elektriek’ werd die vervangen door een lamp in het midden van de plaats en die werd dan aangestoken met een draaiknop aan de deur. Daarboven hing de zwarte slingerhorloge met koperen slinger en zware koperen bollen. Het was papa zijn laatste werk van den dag om die bollen op te trekken.
Onder de zetel stond een klein voetbanksken bekleed met rode pluche, afgezoomd zoals de zetel met koperen nageltjes. De stoelen stonden naast de tafel, en er waren er nog een paar naast een cafétafeltje, niet ver van de stoof. Daar werd later meestal nog ons huiswerk op gemaakt.
De grote notelaren kast, waar het ‘schoon servies ‘ in stond, had een speciaal kopstuk.
In het midden daarvan stond een klein kastje, waar een koperen bollantaarn samen met een paar beeldjes, in ivoor uit de missies, voor stonden.
Onder in de kast stond een schoon met goud afgebiesd tafelservies, samen met het glasservies aan de ene kant, en een damasten wit tafelkleed aan den anderen kant met toebehoren van servetten en ringen, dat had mama nog in het pensionaat gemaakt, maar ik heb het echter nooit weten gebruiken.
Naast de kast, was het venster. Van hieruit was er zicht op de trappen van den Oudenberg. Langs de straat, die we nu ‘de aanloop van de muur’ noemen, stonden destijds dertien hoge kaarspopulieren. Ik heb er twaalf zien van omver bliksemen, gevolgd door een grote knal en verder nadonderen. Want één ding kon het er zeer goed, dat was donderen en waaien. Bijzonderlijk als het een onweer was dat van over den berg kwam. Dan zat mama ineengetrokken op de zetel met de kleinste op haar schoot. Telkens er zo een ‘kastaar’ viel, dan hoorden we ze luid lezen. (bidden).

De vloer was uitgevoerd in ceramiek tegels, die samen een arabeske tekening, en aan de randen, een boordversiering vormden. Dat was een gemakkelijk te onderhouden vloer, en, ge mocht er met water spelen, het liep weg langs het ‘moezegat’ (een opening in de muur om het water weg te laten vloeien. Afgesloten met een ronde steen tegen de muizen.)
Tussen de tafel en de kast was het venster dat op den ‘achteruit’ (de beneden tuin) zicht gaf.
Op het kozijn van het raam hing een oude kwikbarometer. Telkens als papa er passeerde, gaf hij er een tik op, om hem af te lezen.
Naast de draperie en de deur hing een kastje, aan de open zijkanten stak wetenschappelijke lectuur, zoals de ‘Science et Vie’. In het midden, achter een spiegeldeurtje, was het ‘medicijnkastje’. Met daarin in een flesje met glazen stopsel : ‘teintuur ‘d jod’,(ontsmettingsmiddel) dat goed pikte in de open wonden, daar was ook het bekende maagzout te vinden, naast een rolleken verband en met ernaast zelfgemaakte lapjes van oude lakens, in stukken gescheurde repen, en zuiver gewassen en gestreken, en plakkerkens, en een klein flesje ‘Benedictine’ (daarvan moest ge een druppel op een stukje suiker laten vallen en dan opzuigen). Gij zoudt er nog eens buikpijn voor willen hebben, want het smaakte heerlijk lekker. Ook een laxeermiddel en poeder Dr Mann stonden er. In een klein ijzeren doosje de suppositoires voor bij hevige opstopping. Het methyleenblauw werd gebruikt bij keelpijn. De mond open, en dan met een pluim gedrenkt met ‘bleu de methylène’ eens duchtig in de keel flodderen, eens goed gewurgd en dan alles inslikken. Bah, ik ken lekkerder dingen dan dat. En nog veel medicamenten tegen allerlei kwalen.
Daaronder stond een klein kerkstoeltje, omdat het zo gemakkelijk zat, met de voeten op een klein bankske. Dat gebruikte mama dichtbij het venster, als ze kousen wou stoppen of mazen (herstelling die zeer goed op breiwerk gelijkt), knopen aannaaien en kleren repareren.
Rondom de kamer was een eiken hank met grote eiken steunplanken die verbonden waren met een rek. Hieraan waren kleine koperen haken waaraan siertassen hingen, met medaillekens en nog andere snuisterijen in. Op de hank stonden, achteraan, tinnen borden en vooraan, porseleinen potten en koperen pannen. De donkere ‘soeptrien’ was altijd in de belangstelling, omdat deze oude postkaarten en foto’s bevatte. Ze heeft nog dienst gedaan bij het schilderen van stillevens bij papa. Aan elke venster hier hing er een draperie gemaakt uit wit- en rood geruite stof. Alleen in de winter werden die toegetrokken of als het eens
erg bamisweer (guur regen en stormweer) was. We hebben ook vele jaren nog goudvissen gehad in een door papa zelf gemaakt aquarium. Die stonden op een plank op manshoogte, aan het raam. Het potje visvoer ernaast. Totdat onze zwarte kat ‘Moor’, ze één na één heeft gevangen en opgepeuzeld. ’t Was lekker want hij heeft uren lang zijn snor zitten wassen en wrijven. D’ ander katten gingen er wel drinken, maar verder niets.
Door de enige deur kwamen we in de grote keuken. Daar werden de kookwerkzaamheden uitgevoerd.

 

 

De Badkamer

Onder de achterste ingang, met een mooi uitzicht op de stad, was een kleine ruimte van drie op drie en die heeft papa later omgebouwd tot een ‘badkamer’. (Zo noemden we dit toch.) Er was langs beide zijden een buitendeur.
In mijn eerste levensjaren gebeurde het badritueel echter in de grote keuken.

Wasmanden

Aanvankelijk stonden er in die overwelving een paar wasmanden, een grote voor de was, een kleinere voor de te strijken was, en dan nog een kleinere rieten mand, met een handsel, voor de verstellingen.

Wijmen manden waren zeer sterk en licht en luchtig.

De Waskuip of Tobbe

De eerste houten waskuipen werden gemaakt door een ‘Kuiper’. Die zaagde de planken volgens een model en voorzag die aan beide zijden op gelijke maat van een groef. Daarna stoomde hij deze, om ze buigzaam te maken en een vorm te geven. De ronde bodem werd aangescherpt. De planken werden rond de bodem gehouden door de ijzeren banden en de bovenste band diende om alles goed en stevig aan elkaar te houden. Door de banden op de conische kuip omhoog te kloppen werd de kuip waterdicht gemaakt. Om dat dicht te houden moest de kuip altijd vochtig zijn en water bevatten. Als ze dan toch lekte moest ze eerst aangespannen worden en dan in het water gelegd, of minstens toch veel met water besproeid worden.
De kuip diende naast het wassen, ook om het wekelijks bad te nemen. Zware kuipen waren dit, men moest met twee zijn om deze te verplaatsen.
Hier afgebeeld harde Marseilse zeep en met zachte handborstel.

Gegalvaniseerde bassins

Later werden deze vervangen door gegalvaniseerde bassins.
Ze waren lichter en lekten niet.

Veel later zijn die door een groot gegalvaniseerd ligbad vervangen.

Toen bestonden reeds lang de zware gietijzeren ligbaden, maar die waren ontzettend duur en ook nog breekbaar. Doorgaans werden die in het wit geëmailleerd.
Aan de ene kant stond een klein vuurtje, een allesbrander, die alleen diende om te verwarmen, want het water werd toen nog verder op de cuisinière gewarmd.
Maar toen die kachel versleten was, werd ze, wegens het verbrandingsgevaar van dat gesleur met heet water, door een ketelverwarmer in gietijzer vervangen.
Daar kon direct een marmiet van 4 emmers op verwarmd worden, en die zorgde tevens voor de verwarming. Aan de anderen kant, onder het gewelf van de trappen, stond dan later het gegalvaniseerde bad. Omdat het een koude arduinen vloer was, had papa een houten planken vloertje aaneen geflanst en, met daar een drogen handdoek op, was het lekkerder uit het warme bad te komen, zich daarop af te drogen, en snel verder aan te kleden met zijn lang slaapkleed. Van daaruit tot in de zetel, was niet ver, om op onze tenen er naartoe te sprinten.

De atelier

Rond de jaren dertig heeft papa zijn atelier gebouwd.
Omdat de veranda niet geschikt was om in te schilderen en te etsen, heeft papa dan zelf een atelier gebouwd. Toen waren nog geen plannen nodig. Hij had er wel eentje getekend, en samen met mama bestudeerd en uitgepluisd. Alles werd besteld en het werk kon beginnen.
Melkkarretje van Lonke voor de atelier
Op een keer in ’t voorjaar kwam een grote camion van een betonfabriek van Akeren door het hekken gereden,en begonnen mannen alles met de hand af te laden : betonnen palen met groeven in en platen. Op de plaatsen, die hij had uitgemeten, verstrekte hij de aanduidingen, de palen werden dan geplaatst en ingebetonneerd. ’s Anderdaags werden daar dan de platen ingeschoven. En de muit stond er. De camion van Bompapa kwam ook, en Oscar loste er een vracht hout voor het dak. En stapels schaliën.
Gustaaf, den schrijnwerker, en Sooi, zijnen gast, kwamen met hun velo en begonnen te meten en te zagen en, na een paar uur, rezen de eerste planken omhoog, tot een gebinte.
Atelier van Jan De CoomanJan De Cooman aan 't werk in zijn atelierAtelier: Plechtige Communie Pol en EmielOp het eind van de week stond het onder een schaliën dak en werd de mei gestoken. Een geluk dat we toen allemaal naar school waren, want het was er gevaarlijk gewoel. In elk geval op een paar weken stond de atelier er helemaal.
Uiterlijk was het af, nu kwam de binnenafwerking. Rondom werden gegroefde kepers geplaatst en in die groeven schoven dan grote eternit platen. Omdat de voordeur langs de noorderkant was heeft hij daar een dubbele deur achtergemaakt. De ramen waren gerecupereerde, maar nog in goeden staat. Het dak werd afgewerkt met plaasterplaten. Rondom was een dikke balk die alles goed samen hield. Het was eenvoudig, maar sterk en degelijk. Omdat het banale grijs zijn werken niet tot hun waarde liet komen werd de ganse zaal gedrapeerd met donker rode jute. De schilderijen en etsen werden aan de muren opgehangen.
Het geheel mat ongeveer negen meter op negen.
Aan de noorderkant was in het dak een groot lanterneau gemaakt uit dubbelglas. Zodat het er helder was en de zon hem geen parten kon spelen zoals in de veranda. Daaronder waren grote ramen die uitgaven op de trappen. Daarvoor de dubbele glazen wegschuifbare vitreaux, met daarvoor de lichtgekleurde triplex luiken. Daaronder waren wegplooibare tafels. Verder waren geen ramen. Op een klein na, dat op de steenput uitgaf. Maar daar waren de luiken altijd dicht. Langs een kant was een kast gemaakt, aan de voorkant was een uurwerk ingewerkt. In een andere hoek had papa zijn afgesloten knutselkot. Daar kondt ge alle gereedschap vinden en wat er nog moest gerepareerd worden.
De vloer was er een, waarvan hij zelf de tekening had ontworpen. In het midden stond de atelieruitvoering van de Harpagon kachel. In het half seizoen werd soms wel eens een gasverwarmer aan gestoken. De etspers stond aan de andere zijde met een tafel en kast bij.
Na een jaar werd de atelier met de woning verbonden met een gang die wegens het hoogteverschil geheel uit trappen bestond. Aan een kant was een grote volière gemaakt. Buiten voor de grijze betonplaten werden hoge planten gezet, om een vriendelijk uitzicht te bekomen. De garage werd toen eveneens gebouwd.
Zo stel ik het geheel me nu nog altijd voor.

De eerste verdieping

Plattegron eerste verdieping

Via de gang in de grote keuken liepen we boven. Een smalle trap (oorspronkelijk voor de dienstboden) leidde ons naar de trappenhal.
Een brede met glasraam afgewerkte dubbeldeur gaf toegang naar de arduinen trap buiten.
De trap in de gangRechtover die deur was een andere,  volle deur, die leidde naar de ‘Eetplaats’.
De brede houten draaitrap leidde naar de slaapkamers. De onderste trede was uit wit marmer gemaakt. Vandaar af lag een brede kleurrijke tapijtloper, op zijn plaats gehouden door geelkoperen ‘roeën ‘(buisjes). De gladde leuning was uitgevoerd in notelaar met daaronder fijn gedraaide spijlers. Het deel onder de trap was afgesloten en in den hoek leidde een deur naar de trap naar beneden. Daarnaast was de deur naar de veranda. Deze deur had een groen glazen lanterneau.  Aan de muur hing een groot schilderij van St. Fransicus met de dieren. Interessant voor ons waren de kleine mussen, die op onze hoogte,  meeluisterden naar de preek van den heilige. Ernaast hingen enkele ingelijste etsen over Geraardsbergen.
In het midden van de gang hing een koperen luster, met een dikke gla-zen bolle lampenkap over het gaslicht.
De vloer was als een mozaïek geverfd. Hij moest om de twee jaar met een laag vernis beschermd worden. De muren waren in imitatie Franse steen uitgevoerd. De grote deuren, met elk vier panelen,  waren uit echte Vlaamse eik, dus waren er veel ‘wiëren’ (knopen) in. De flink uit de kluiten gewassen geel koperen sloten werkten het geheel af.

Bij mijn weten hebben we daar nooit iets gegeten, wel een paar keer koffie gedronken met een stukje zelfgemaakte taart als er een belangrijk iemand overkwam.
De eetplaatsHier stonden schone, in ‘art-deco’, tedere meubeltjes. Rond de frêle tafel stonden keurig de zes hoge stoelen. Ze liepen verloren in deze enorme plaats. Het mooie geprofileerde plafond met plaasteren hoekmotieven was meer dan drie meter hoog. We betraden deze plaatsen zelden. GasluchterBoven de rechthoekige tafel met de fijngebouwde stoelen, hing een koperen gasluchter, waar later alleen een elektrische lamp werd in gehangen omdat hij te schoon was om weg te doen. Een schone en zeer decoratieve marmeren schouw met daarboven een hoge gebisoteerde spiegel, beheerste de zaal. In de monumentale marmeren schouw stond de groene ‘Juno’. Die zorgde soms voor opwarming, of om de boel droog te houden. Alleen met Klaasdag was die deur niet op slot, want dan had Klaas daar zijn pakskens afgeleverd. Niet die overdreven vrijgevige heilige van nu. Maar zijn weinige gaf ons misschien meer vreugde : het waren basisspullen als ballen en primitieve autootjes en karretjes. Dit was het hoogtij van de spoorweg treintjes, waarvan het locomotiefje altijd zijn vaste rondjes draaide. Later kwamen daar dan meer educatieve spullen bij: meccano’s en blokkenspellen.
De Blaffeturen (luiken) waren meestal dicht. Die werden enkel geopend als er eens gekuist werd, wat zeker niet elke week gebeurde.

In de aanpalende veranda, toegankelijk door een wijde vierdelendeur, was alles van boven tot beneden en aan drie kanten van glas.
De veranda
Alleen de witte rolgordijnen temperden het felle licht. Als het donker werd, werden de donkerblauwe rolgordijnen neergelaten. Daar stond in een hoek een grote binnenfontein. Geheel uit zandsteen en in rotsformatie uitgevoerd, moet dit bij werking met water wel een prachtig effect hebben gegeven, als dit water van boven naar beneden, sprenkelend over verschillende plateaus, naar beneden vloeide. In de onderste bak was nu zand aangebracht en daar mochten we als peuter spelen en zelfs kastelen bouwen met de conische confituurpotjes, baantjes in de bergen maken waar we dan onze marbels lieten afrollen. Karretjes maakten we van een planksken, en de wielen maakten we van de deksels van de bokalen van den opgelegde haring. En die rolden ook nog goed den berm af.
In de zomer kon het er stikheet zijn, dan ruilden we voor de koele ruimtes van de keukens. Papa zette dan de grote deuren van het salon open, zo kwam uit de donkere ruimte, een kilte verraderlijk op u vallen. In de winter was het er ondanks de goede grote kachel altijd nog koud. Die stond daar, met een gloeiende kop, midden in de plaats, en met een lange zwarte buis hoog naar de schouw.
Hier moest papa werken met een zelfgenaaide vest van schapenvacht. Men kon het er maar niet warm krijgen, zeker niet als er dikke sneeuwvlokken voorbij snelden, opgejaagd door de gierende wind. Van ‘t stad kon men dan niets meer zien, amper een vage silhouet van de kerktoren in de grauwe akelige lucht. ‘Schilderachtig schoon’, zei men dan. Maar ook de winter kende een einde.
Triestig was het hier, als het regende. De druppels vlogen tegen het glas te pletter en rolden als fijne beekjes naar beneden. Ze liepen soms van hun weg recht bergaf, om dan samen te smelten met andere slachtoffers, en nog sneller verdreven door de wind tot ze op de rand samen vergaarden tot een plasje aan de onderkant van het raam. Want hier kon het akelig waaien en hoorde men de wind schuifelen en gieren. En dan maar urenlang kijken naar die druppels. Terwijl de bladeren van de klimop aan den hoek heen en weer werden geschud.
Prachtig en machtig zicht, als er een onweer overtrok en de stad aan ons oog werd onttrokken door de zware stortvlagen. Als de sparren in den hof heen en weer werden gezwiept.
Men kon hier genieten van het brede zicht over ‘’t stad’. Van hieruit hebben we de grote bouwwerken van de stekskensfabriek langs de Dender meebeleefd, en de Guileminlaan zien aanleggen, alsof we er bij waren. Aan de andere kant zagen we de talrijke bedevaarders naar de kapel trekken, via de Hooiweg, of de toeristen, die een tocht naar het Hemelrijk deden.
Hier had mijn papa zijn eerste atelier ingericht en ook zijn eerste etsen gemaakt. Ik herinner me vaag een tafel met veel papier en een schilders ezel met een paar doeken er rond. En op die tafel lag ook nog andere rommel, als tangen, een ‘zwong’ (handboormachine) en nagels en een zaag en..en… verboden speelgoed voor ons.
In de hoek stond de zelfgemaakte pers, waarmee hij zijn eerste etsen gedrukt heeft. Een paar kasten en rieten zetels en enkele ‘tabourets’ (kleine zitbankjes) vulden de heldere plaats. Een groot versleten tapijt lag op de koele stenen vloer. En, aan het hoge plafond, hing, aan een lange buis, een grote gaslamp met een witte glazen lampenkap. Hoe ze moest ontstoken worden is me nog niet duidelijk. Maar ik vermoed dat papa dat deed, zoals de koster, in de kerk, zijn kaarsen ontsteekt, met een lange stok met een brandende wiek erop.

Boven de kleine keuken lag het zogenaamd salon. Er stonden een paar zetels, met een klein salontafeltje, en een Surdiac continue vuur (ik heb dit nooit weten branden). Aan de muren hier hingen een paar schilderijen, die mijn mama nog had gemaakt in het pensionaat van Eeklo. Ook hier werden de luiken zomer en winter dicht gehouden. Er was hier geen gezellige warme sfeer, die we beneden hadden. Of was het dat hoge plafond dat ons afschrikte, of het donkergroene behang dat de muren sierde, ik weet het niet, maar gezellig is anders. Die beide plaatsen werden door ons dan ook weinig belopen. Enkel als mama, eens om de zoveel weken, er ging kuisen, werden we er toegelaten.
Salon

Veel is er daardoor ook niet in mijn geheugen gegrift. Alleen de koele indruk van een niet bewoonde kamer, waar geen kinderen spelen. De ongezelligheid, van een, aan het zonlicht ontdoken, opgesloten donkere ruimte.

Het tweede verdiep

Plattegrond tweede verdiep

Een verdieping hoger lag onze slaapkamer. Hier was het een gegons van ingehouden lachen en van deugnieterij glinsterende kinderogen.
‘s Avonds in de koude winterdagen, gingen we in processie, met de kaarsdrager op kop, op onze kamer, gekleed in onzen langen tabbaard, met in ons handen, in een handdoek gewikkeld, de warme steen.
’t Eerste dat mama deed, was het oliepitje hoger draaien, zodat we in de pikkedonkeren iets konden zien en dan de blaffetuur toe trekken.
Dat was later, na 1927, heel anders en beter, want dan hadden we in de bovenstad, eindelijk, elektriciteit, en konden we aan het koordje trekken. Toen werd ook de kaars veilig in de kast geborgen, voor als er eens ‘panne’ was.
Het was reeds lang donker en ons bed lokte om er een lekkere duik te nemen, na de lange klim van de vele trappen door de kille spookachtige gang. Maar we moesten er eerst echt inkruipen, want het was erg hoog.
Onze slaapkamer
Een stevige duw van ons mama op ons achterwerk, hielp om de warme steen, onder de lakens, op zijn juiste plaats te leggen. Kriebelend op het koude flanellen laken werden de tenen tegen die zalige warmte gestoken. Een bedwelmend gevoel joeg de kille rillingen weg, om plaats te maken voor een hemels genoegen. Nu nog even de dekens over de kop trekken, om dan na enkele minuten langzaam een kleine opening naar buiten te zoeken. Alleen het topje van de neus en de lippen mocht naar buiten. De rest lag samengebundeld als een rolmops in een mayonaise van warme wollen dekens.
Onze kamer was zeer ruim. Als we zeer klein waren sliepen we in een groot dubbelbed met de kop tegen de muur. Maar later werd er een vast schutsel van twee meter hoog gezet, zodat er boven nog opening was (om later spelletjes te doen.)
Nu stond ons bed midden voor het schutsel, en op het ander deel stonden eerst het bed van Lieven en Albert, en later kwam er nog een voor Juul en Gaston. Veel later zijn we dan naar de ‘mansardekamers verhuisd.
Slapen was in de winter lekker plezierig, warm ingeduffeld met een half oog luisterend naar de verhaaltjes, die mama, uit haar verbeelding, voor ons opdiste, en … het verhaaltje is nooit beëindigd, want, we waren reeds weg in dromenland.
In de zomer, toen het om zeven uur nog klaar was, was het een heel andere scène. De taterende kindermondjes waren nog vol levenslust en van in bed duiken was geen sprake. Het in bed klimmen gebeurde door een aaneenschakeling van klimmen en aan de dekens trekken om dan uit te lopen in een danspartij. In onzen, nu dunnen, tabbaard verstuikten we ons soms, en dan krabbelden we weer recht. Soms was het kopkussenoorlog en dan vlogen de kopkussens over de schutting.
Die was gemaakt om de te grote kamer in twee, nog zeer ruime kamers, te verdelen. Dat er dan soms plots, in dat lawaai, een doffe bonk weerklonk, gevolgd door enkele tonen in scherpste en luidste geween in de hoogste muzieknoten, hoeft niet gezegd. Zolang mama nog boven was, was dit niet zo erg, want een kusje deed dan wonderen, maar o wee, als papa moest bovenkomen, dan heerste er stilte vanaf het moment, dat we de deur beneden hoorden opengaan. En dan had er niemand iets gedaan. Maar meestal werd er van beneden eens iets geroepen, om de orde te doen weerkeren.
Uiteindelijk kwam ook hier een einde aan en één voor één werden we geveld door het magische zandmanneken.
Maar als het in de zomer eens ’s nachts durfde donderen was het angstwekkend, hoe die zware donderslagen in verschillende golven over den berg dreunden. Bliksem na bliksem, helderde de kamer op en dan tellen één, twee, drie, “Die is niet voor hier “ zei mama. Die toen in haar wit slaapkleed een kaarsje aanstak en dan, stil, voor de schouw, op de stoel kwam zitten. Angstig telde zij de tijd. Maar als het eens dicht opeen bliksem en donderslag was, schrikte ze, en zei ze “ Dat was ne kastaar!”. En, ze bad in stilte voort.
Als het onweer afnam, en we door de slaap overmand weer insliepen, keerde ze naar haar warm bed terug, blij dat haar kroost weer veilig sliep.
Er was een kleine zwart marmeren schouw, waar, als er eens enen ziek was, een ‘gasrechaud’ (gasverwarmtoestel) in aangebracht werd. Daar op die schouw stonden een kruisken en wat potjes in gleiswerk (faience).
We hadden elk een stoel, om ons kleren op te leggen (maar ik denk meer smijten). Aan de muur was een groten kapstok, maar hij hing te hoog en diende dus voor niets. De grijze sjerp, die er hing, heeft er jaren gehangen. Rechtover ons bed was een grote kleerkast, waar ons zomer  en winterkledij in hing.
Naast het venster stond den lavabo met alle bijhorigheden. Maar die zijn nooit gebruikt. In het kammenvakje lag een gele benen kam en in het zeepbaksken heeft het stuk ‘Cadum’ vele jaren van zijn leven gesleten, tot het gekloven en gebarsten, eindelijk met de gewone waszeep geraspt werd voor de fijne was.
De grote hoge dubbele glazen deur, voor het grote balkon, sloot niet goed van onder, en bij regen met wind kon het water tot wel een halve meter binnen waaien en moesten er dweilen tegen aangelegd worden, en dit ondanks de blaffeturen die nooit geopend werden. Als de wind blies, en dat deed hij meestal, kon dat schoon schuifelen, maar bij nacht hadden we dat niet zo gaarne, dan scheen het akelig te passen in de spookverhaaltjes van mama.
Om de drie a vier jaar werd de vloer gevernist of geverfd. Eerst werd er een grondlaag geborsteld en daar op met een andere kleur werd er met behulp van ‘pochoirs ‘ een dessin op aangebracht. Als alles droog was werkte een planchervernis alles af. Het was weer als nieuw.
Dat was een groot evenement. Dan werden de matrassen naar boven gedaan. Op de twee mansardekamers werd er dan op de grond geslapen. Dat duurde dan een paar dagen in de zomer tot alles goed droog was. En dan vertelden we aan iedereen, dat we op reis geweest waren. Want dat was ‘kamperen’. Als den trap vernist werd moesten we ‘al overhand’ op den trap stappen. De kleineren moesten dan gedragen worden. ’s Avonds ging dat nog goed maar ’s morgens, met de vaak nog in de ogen, werd er wel eens verkeerd gestapt (gelukkig was het dan al meestal droog genoeg).

Boven de trap rechtdoor was de kamer van papa en mama. Maar ik geloof niet, dat ze beiden veel rechtdoor zijn gegaan. Als we ze soms hoorden boven komen, richten we ons op, en ja, onze deur ging open, en met het kaarslichtje voorop, kwamen ze binnen. De kaarsenpan werd een beetje omhoog geheven, om ons beter te zien. Als ze dan zagen dat we nog rechtzaten, was het “Wel slaapt ge nog niet!”, en dan was het “Ik heb dorst!” of een ander excuus. Maar alleen hun nabijheid maakte alles weer goed en we sliepen weldra weer verder tot, na een eindeloze nacht, de wekker bij mama en papa afliep.
Met ‘den Elektriek’ kwam ook het groter worden en later ook het ’pillicht’
(zaklamp). We lagen dan, met het deksel over onze kop, in het schamele licht van het lampje, de Vlaamse filmkens te lezen, die we op school met één of anderen uitgewisseld hadden. We waren soms zo geboeid, dat we niemand hoorden binnenkomen. En dan was het : “ Ha, nu weet ik hoe dat het komt dat die pillekens weer al op zijn ”.
Het boeksken werd in beslag genomen met de belofte dat we het ’s anderdaags zouden krijgen. Maar ik verdenk hen dat ze het zelf eerst eens in hun bed gelezen hebben, want ze wisten waarover het ging als we onze mond eens voorbijpraatten.

Eigenaardig hier was wel een gaslamp, die aangestoken werd, want ze had geen waakvlammetje. De stekskes lagen op een vaste plaats op de schouw. De wekker werd aangezet door de drie bollen op te trekken. De uur vergelijken met papa zijn zakuurwerk, was een gewoonte.

WiegAls er een boreling was, lag die in een wieg aan mama’s kant.
Het gaslicht werd op halflicht gezet.
Om, als de kleinen soms ’s nachts moest eten hebben, stond er op een tafeltje naast de lavabo, een klein tafeltje met een éénbekvuurtje.
In een fles stond zijn melk gereed en in het panneken ernaast was water om die fles in op te warmen. Gelukkig waren het allemaal brave kinders, die iedereen lieten slapen. Want als er één zijn kuren kreeg, was gans de nest wakker. En dan zaagt ge ze afkomen op een rij in hun lange tabbaard, ook al janken, want ze wilden allemaal bij mama in bed slapen. Toen moest er wel even streng opgetreden worden.
Hier stond een kleine continu, die enkel brandde als er kleintjes waren, (en dat waren er meestal.)
Op de lavabo stond een porseleinen kan en waskom. Alleen papa waste zich hier, en kwam altijd uitgeborsteld beneden. Mama waste zich beneden, als de kinders naar school waren. Ze liep rond in haar lang slaapkleed, met daarover een dikken gebreide ‘golf’, maar haar haar en zich aankleden, deed ze boven, als ze de beddens ging maken.
In een grote kleerkast aan de andere kant hingen hun kleren, waaronder mama haar wit trouwkleed.
Op de kleerkast met grote spiegeldeur, was een grote schroef en mama zei elke keer, dat het was van onzen Black, de eersten hond die we gehad hebben. Hij had daar een hond in gezien en was erop afgesprongen en.. een dikke ‘krabbe’ in het nieuwe meubel.
Aan de muur hing een portret van Bompapa van Geraardsbergen en een ander schilderij. Op de kant naast de deur hing de wekker. (slingeruurwerk met drie bollen. Eén voor het werk, enen voor de slag en enen voor de wekker.) Als die afliep moest ge uit uw bed of het was een kwartier lang: ping, ping, tot den bol op de grond hing. Naast de marmeren schouw, hing een kapstok, met de dagelijkse kleren en de groten reservehoed van papa.

In de gang van de hal, tussen de twee vensters, stond een zeer grote kleerkast. Daar hing de winterkledij in en achter de zijdeur lagen de reserve dekens en lakens, die niet meer in de kasten op de slaapkamers konden. En nu de trappen op naar de mansardekamers.

Naar het opperste

 

 

Het opperste

Plattegrond van het opperste

Ook op deze trappen lag een loper, maar die eindigde aan de laatste trap. Achter de eerste deur was een schone grote kamer. Het dak was schoon afgewerkt en de schuine balk ermee in verwerkt tot een soort nis. Hier gaf een groot dakvenster voldoende licht. Meer dan een groot dubbelbed met twee nachttafels en een paar stoelen stond er niet in. Dat werd later de slaapkamer van Lieven en Albert. De kamer ernaast had een groot raam dat uitzicht gaf over ‘’t stad’. Dit was onze slaapkamer. In een kast aan de deur lagen al onze spullen, zelfs een kleerkast was er in. Op ons nachttafeltje stond een wekker en op het mijne was er voldoende plaats voor boekjes en mijn bril. Want, reeds van mijn 11 jaar moet ik zo een hebbeding dragen.
Het licht moesten we uitdoen met een koordeken, want toen was er al elektriciteit. Maar dat was te kort en we moesten elken keer rechtstaan om dat uit te doen. Toen we later knopen konden maken hebben we er een langer koordje aan geknoopt.
Het bed stond met zijn kop tegen de muur met ernaast elk zijn stoel. Op de houten geschilderde vloer lag een tapijtje aan elke kant van het bed.

KindervoituurEen grote zolder mogen we het niet noemen. Maar hij was groot genoeg. Hij was volledig gepleisterd. Hij had twee grote dakvensters. Als de wieg eens niet gebruikt werd moest ge die hier zoeken en evenzo het kinderpark. Er stond ook nog onze eerste ‘kindervoituur’, één op grote wielen.
Op een tafel dicht bij de schouw stonden zakken met gedroogde appels en selder.

StrobloemenAan een kant tegen de muur hingen strobloemen te drogen. Om hun kleur te bewaren werden ze afgedekt met grauw papier (bruin emballage papier) verder nog resten van behangpapier en potten met restanten van verf.

In een hoek aan de schouw was nog een zolderdeur in het plafond. Maar deze was bijna niet bereikbaar. Ten andere, er lagen geen planken op de kepers zodat het plakwerk bloot was. Er lag dan ook niets op.

 

De stallingen

Omdat er toentertijd alleen met paarden gereden werd, was er ook naast een grote parkeerplaats, een ruime stal. Paarden hebben wij nooit gehad maar wel een paar schapen en lammeren. De meeste schapen heten, ofwel ‘Belle’ ofwel ‘Mie’. Papa had als taak de schapen te melken, mama moest ze voederen in de winter met vers gesneden betraven (bieten) en een greep zemelen. Hoewel een schaap tegen de kou kan, werden de lieve diertjes warm in de stal gehouden. En als ze hen hoorden komen op hun klompen, was het één geblaat. Veel melk gaven die niet, maar ze was veel vetter dan de koemelk, en dat werd ge gewaar bij het bakken van taarten. Mattentaarten van schapenmelk zijn veel beter. Als papa met de verlakte pan melk in huis kwam, werd ze gezeefd en de rest was voor de katten, die de pan schoon afwasten.
Wel hebben we ook soms bezoek gehad van verloren en verwilderde duiven, die op het duivenkot kwamen logeren. Er was een ruime hooi en strozolder, en papa heeft daaronder een paar konijnenkoten gemaakt.

WoerdOp een dag kwam een zwarte eend aangevlogen, een woerd (mannetjes eend) en die landde op de helling voor de grote keuken. Een paar minuten later kwam een tweede, een lichtbruine, maar nu was het een vrouwke, en het paar is daar veel jaren gebleven tot hun dood. Het mannetje durfde nog al eens er op uitvliegen, maar na een tocht over ’t stad kwam hij weer. Toen papa ontdekte dat de baas van ’t Hemelrijk een verwoed jager was, heeft hij hem dan maar gekortwiekt, door, in de ene vleugel, de grote slagpennen af te snijden. Dat werd later bij Pie en Triene, de ganzen, ook gedaan.
ganzenDe eenden verbroederden met de kippen. Na een verkenningsronde, vonden ze hun geliefkoosde plaats, daar waar het vuilwater uit de enorme sterfput kwam. Na een tijdje groeide daar geen gras meer. Ze wroetten immers de wortels bloot op zoek naar wormen.

konijnDe konijnen hadden een zeer vrij leventje en we zaten er alle gedurigen (af en toe) met veel te veel, zodat er dan eens eentje moest sneuvelen, en in de pot terechtkwam. Dat was eens een afwisseling in het menu, bezonderlijk als mama het klaarmaakte, zoals ze in Eeklo in ’t school hadden geleerd.

Veel jaren hebben we een mooie Brabantse haan gehad, die fier zijn kippen overal leidde, waar ze niet mochten komen, zodat op het einde alle hekkens, die hun gebied afsloten, voorzien waren van ressorts (veren). Kip met kuikensDe kippen, een zes a zeven, hadden geen vaste woonplaats, die namen heel de stal voor woonst. Maar hun eieren deponeerden ze regelmatig in de nestbakken die aan de muur waren gehangen. Hoog genoeg omdat er nogal eens ongewenst bezoek kwam van de ratten.
KippenTelken jare werden we aangenaam verrast door een kloek, die met verscheidene kleine kippetjes ergens uit de tuin vandaan kwam. Om hun veiligheid werden ze dan in een renne (een uit fijne tralie gemaakt park) op de pelouse gestopt. Hun vaste voederplaats was juist achter de serre daar waar de ‘scramoullen’ (as) van de stoof werden gestort. In de serre stond een grote houten ton met een mengsel van granen maar hoofdzakelijk maïs. Met een halve pan daaruit waren ze weer voor een dag goed. Ze kenden het geluid dat de blauwe pan maakte zo goed, dat ze allen, eenden op kop, met de zwaardere en taterende ganzen in hun zog, de kippen, met mijnheer den haan op kop, kwamen aangelopen soms echt vliegend. De eerste korrels lagen nog niet op de grond of ze werden al opgepeuzeld. Ook de schapen kwamen dan reeds aangerend de jonge lammeren op kop, want, na de kippen kregen de schapen hun stukje brood en andere keukenafval. Er werd een emmer vers water opgehaald en in hun drinkbak gegoten. Deze ceremonie hoorde tot het dagelijks leven, telkens de aardappelen geschild waren.

zeerattenWe hebben er ook nog zeerattekens (Guinese biggetjes) gehouden omdat deze, door hun reuk, de ratten verdreven (beweerde men ). Nochtans hadden we meestal twee katten, maar die lagen liever in de warme veranda te zonnen, dan te jagen. Maar als Martha de melkboerin kwam, waren ze wel op post, want ze kregen dan ook hun part in het kleine stenen kommetje, vlak naast de afwassteen. Hun andere eten kregen ze door mama toegestopt, nadat de kinders gegeten hadden.
Er was eerst een houten hondenkot naast de stal. Omdat het onherstelbaar versleten was heeft papa dan maar een betonnen kot gemaakt. Met een houten vloer erin.
hond BlackOnzen Black was een straatras maar met veel Labrador in. Zoals toen gebruikelijk was, lag hij aan een ketting gebonden. Hij scheen een gevaarlijk iemand te zijn, maar de ‘djoele’ (sukkelaar) stond, als het regende buiten in de regen, terwijl de kippen, op nog geen 5 meter van hun stal, liever in zijn kot stonden te schuilen. Zijn eten werd hem in een oude aluminiummen pot gegeven dat was de rest van het middageten. dat hij moest delen met de katten. Water kwam van de nabije steenput.
Zijn opvolgers hebben het later beter gehad, en mochten tussen ons meeleven en meeeten.
Ganzen in de sneeuwOp de pelouse van achter langs de stadszijde, liepen ook een paar ganzen. Onze Pie en Triene.
Triene was een gans die we van iemand van Boelare gekregen hadden. De brave mens bracht die zelf, met zijn velo, en onderweg was ze uit de zak, die in de wijmen korf aan zijnen ‘guidon’ (stuur) hing, gekropen en zo eruit gevallen. Maar Juul had dan nog het ongeluk, dat hij over dat arme dier haar poot was gereden. Besluit : de bille ( dijbeen) was gebroken. Papa heeft dat beest haar poot zo goed mogelijk gespalkt met een paar stokjes, en daarna als een echten dokter, er een plaasterverband rond gedaan. Dokter Van der Schueren is na de middag eens komen kijken en keurde zijn werk goed. Het ‘schaapken‘ (eigenlijk een gans ) heeft dan eerst een week, alleen, in een bak in de serre gezeten, en dan nog zes weken met dat plaaster verband buiten rondgelopen. Ze kon er zich goed met beredderen. Na wegname van het verband, is ze altijd nog een beetje blijven manken, vandaar haar naam ‘manke Triene’. Haar Pie was ook een invalide. Die was op een keer door de tralie willen kruipen maar was met zijn hals aan een ijzer blijven hangen, gevolg, zijn hele langen hals lag van boven tot beneden open. Papa heeft hem dan vakkundig, met gekookt zwaar garen, met de speciale medische steek, toegenaaid. Als Van der Schueren het dan nadien keurde, kreeg hij er felicitaties voor. Na enkele dagen was hij weer de oude.

Naast de stal was een grote messing, daar werd alles, wat niet door de dieren eetbaar was, op gegooid.

Het biekot

het biekotOmdat papa een fervent imker was heeft hij in de jaren 25 een bijenkot gemaakt op de rand van de scherpe bergaf. Elk jaar werd dan in de lente de honing geoogst, dat was een groot evenement want verschillende kennissen kwamen dan helpen in hun beschermende kledij. Er hing een walm van bedwelmende rook over de korven. Van de drie strokorven, aan de onderste openingen, zijn er nooit meer dan twee bewoond geweest. De rest waren kisten. Ze hadden meer trok bij de bijen. Ook voor het oogsten en bijvoederen waren die handiger. De kisten werden van hun raten ontdaan in het kot zelf, en de bassins, met honing en al, werden dan in de grote keuken in een speciale essoreuse geslingerd. Uit de toot (tuit) kwam dan de goudgele honing. Die in grote kommen werd opgevangen, om dan later in bokalen te worden over geschept. Daarna werd aan de bijen speciale bijensuiker teruggegeven. De eerste dagen moest ge dan wel de nesten mijden, want sommige bijen waren nog een beetje agressief. In de winter werden ze van binnen beschermd met stro.
honingraatToen er een paar jaren later een verwilderde nest kwam huizen is kort daarna de volledige kolonie gestorven. In de Pachterstraat aan de overzijde had een bloemist, Remi Flip, van op de Vesten, zijn serres opgesteld en heeft waarschijnlijk ook de eerste insecticiden gebruikt.

 

De doening

Villa Oudenberg rond 1900

 

Dat het een mooie doening was, hoeft geen betoog. Met de koets was het bereikbaar langs twee ingangen. De hoofdingang was aan de voet van de trappen. Door een breed gesmeed ijzeren hekken, waarvan twee vleugels open draaiden, kon men te voet, te paard en ook met de koets het domein betreden. Een breed met kleine kasseien gelegd pad liep rechtdoor, bergop naar de hoofdingang. Voor de brede arduinen trap was een ruime parkeerplaats.

Er was zelfs mogelijkheid de dieren te stallen en te drenken (water geven). Men had gelegenheid iets buiten te nuttigen onder een grote treurolm, waarvan de takken en het dichte loof een waterdichte koepel vormden, die tot bijna aan de grond reikte.

De tweede inkom was gelegen aan de Pachterstraat waar die fameus stijgende Hooiweg kruiste. Via een aarden omweg, langs een portierswoning, steeg het pad langs de rand van de vijvers. Aan de beneden vijver had men een prachtig zicht over de stad.

De andere kant van de weg was de steile bergwand dicht begroeid met struikgewas. Onderweg stonden rustbanken, tegen de wind beschut, opgesteld achter een haag van bloeiende ‘josemienen’ (jasmijnen).

Een dreef van fruitbomen leidde ons verder, langs de tweede vijver naar een waterval, waar het water komend van de een paar meter hoger gelegen vijver, vanonder het brugje neer sijpelde, langs een rotswand van gele zandsteen, dit alles omgeven met diverse waterplanten. Bij het brugsken stonden een paar rustbanken, onder een zeer oude grote dikke linde, naast een hoge treur olm.

Een beukendreef leidde naar de aanlegsteiger voor de kleine roeibootjes. Hier gekomen, kon men kiezen, ofwel door gaan naar de hoofdingang, ofwel naar de inkom via de stadszijde met een grote trappen galerij. Hier kreeg men dan een heel ander zicht op de stad: met onderaan voor zijn voeten de vijver en in de diepte, het bovendeel van de stad met zijn dominante kerktoren.

Langs de oevers was een sterk hellend gazon. Nu zouden we dat gebruiken om te zonnen, maar toentertijd met hun geblankette (witgepoederde) huid ?… Maar men kon er toch lekker picknicken en keuvelen.

De meiden en knechten hadden hier wel altijd iets te doen aan het onderhoud van de tuin en de bloemen. Anderen vonden hun bezigheid in de moestuin.

Door een hekken kwam men rechtsaf op een paadje, dat uitgaf op de uitgang van de Pachterstraat. Aan het hekken rechtdoor lag een grote moestuin. Voor u was een aarden pad, omzoomd door bessenstruiken, halfweg kruiste een baantje, dat omlijst was van verschillende soorten perelaars. Dit leidde rechts boven in een klein ijzeren hekken, dat uitgaf in de nabijheid van de trappen, die naar het Hemelrijk leidden.

rest grote vijverbijenkotDoordat tijdens de oorlog 1914-18 de Duitsers hier hebben verbleven was het geheel sterk vervallen. Toen mijn ouders hier kamen wonen rond 1920 bleef van de pracht niet veel meer over. De vijvers waren gedempt, alleen in de grote weide restte een verzamelput waar het vuil in werd vergaard. Er stond altijd wel een beetje water in dat van den talud afstroomde. Om veiligheidsreden heeft papa dat omgeven met een afsluiting.

Omdat papa een fervent imker was heeft hij in de jaren 25 een bijenkot gemaakt op de rand van de scherpe bergaf. Elk jaar werd dan in de lente de honing geoogst, dat was een groot evenement want verschillende kennissen kwamen dan helpen in hun beschermende kledij. Er hing een walm van bedwelmende rook over de korven. Van de drie strokorven, aan de onderste openingen, zijn er nooit meer dan twee bewoond geweest. De rest waren kisten. Ze hadden meer trok bij de bijen. Ook voor het oogsten en bijvoederen waren die handiger. De kisten werden van hun raten ontdaan in het kot zelf, en de bassins, met honing en al, werden dan in de grote keuken in een speciale essoreuse geslingerd. Uit de toot (tuit) kwam dan de goudgele honing. Die in grote kommen werd opgevangen, om dan later in bokalen te worden over geschept. Daarna werd aan de bijen speciale bijensuiker teruggegeven. De eerste dagen moest ge dan wel de nesten mijden, want sommige bijen waren nog een beetje agressief. In de winter werden ze van binnen beschermd met stro.
Toen er een paar jaren later een verwilderde nest kwam huizen is kort daarna de volledige kolonie gestorven. In de Pachterstraat aan de overzijde had een bloemist, Remi Flip, van op de Vesten, zijn serres opgesteld en heeft waarschijnlijk ook de eerste insecticiden gebruikt.

De wanden van de gemetste vijvers lagen ver onder de dikke grasmat. Dit metswerk van minstens één steen dik, hebben we ontdekt, toen we in 1940 een schuilkelder wilden bouwen aan het brugsken.
Nu liepen hier geen knechten en meiden meer, maar een steeds groeiende bende kleuters.
De grote pelouse was afgezoomd met tralies en daar liepen het hele jaar door een paar schapen. Later kregen die gezelschap van twee ganzen. De pelouse vanvoor die maaide papa soms eens af met de zeis voor het hooi. Sommige periodes werden de schapen er op gestekt. Dat is: de schapen waren altijd voorzien van een halsband. Aan die halsband werd dan een ketting van twee a drie meter gekoppeld, voorzien van een draainagel en, door een grote ring, over een stevige ijzeren staaf vastgemaakt. Zo werd er elke dag, dan een paar meter alles volledig afgegraasd. De schapen eten liever de beste blaadjes eerst, en laten de rest staan voor later, en zo moesten ze nu alles afgrazen of honger lijden. Meestal hadden ze dan ook gezelschap van konijnen in de renne.

Maar als er kleine konijntjes bij waren werd de renne overdekt.
De kippen bleven met de ganzen op de grote pelouse. Soms verdween er één, die haastig naar de stal trok, om voor een ei te zorgen, aan hun gekakel te horen. Als de ganzen met veel tamtam naar de stal trokken was het ook van dat.
Die eieren werden dan regelmatig geroofd. Eén ganzenei verving drie kippeneieren in gebak en gebraad. (Dat was voor ons de lekkerste periode van het jaar.)
De ganzen legden hun eieren in de stal, meestal in de stal een verlaten konijnenkot. Op het einde van de Paasvakantie was het telkenjare de broedperiode. En dan mocht er niemand in de stal komen, behalve papa, om de schapen eten te geven en te melken, maar die had dan ook elke keer een flinke stok mee.
De eenden hadden een andere oplossing. Ze hadden een opening gevonden en konden via het brugsken naar de voor pelouse. Dat brugsken deed voor nog andere zaken dienst. Van de eenden hebben we zelden een ei opgegeten. Als we, op onzen buik gelegen, eens onder dat brugsken keken, zagen we ze wel liggen, maar de opening was te klein en zo moesten we wachten tot moedereend er met haar kroost, van rond de twaalf eendjes, te voorschijn kwam. Ondertussen hield de woerd trouw de wacht en hield elk bezoek ver weg.

Zelfs onzen Fanny (hond) durfde toen niet langs het brugsken komen.

Het grootste deel van het gras werd kort gehouden door de schapen en de ganzen. De voorste pelouse echter moest manueel kort gehouden worden. In de eerste jaren deed papa dit met de zeis.
Bij elke zeisbeweging bleef het gemaaide gras schoon op een rijtje liggen. Dat ging tamelijk snel. Naderhand moest het wel gedraaid en gekeerd worden om ten slotte in hoppers hooi te veranderen. Dat werd dan met de platte kruiwagen in de stal op de hooizolder geborgen. Op een keer kwam papa van bij de ‘voddenman’ thuis met een kapotte handmaaier. Na tien minuten kwam hij uit zijn atelier en testte de machine. Die werkte nu wel goed, men had bij het monteren een deeltje verkeerd gestoken.
Van toen af werd het tot de taak van de groten gerekend: het gras kort te houden. Doordat dit niet geschikt is als dierenvoeding, werd het op een hoop in messing gegooid waar het kon ontbinden.
Eén van de min graag gedane taken was het kasseibaantje van aan het hekken tot aan d’ achterdeur grasvrij te houden en dan werden alle beschikbare handen met een bot mesje uitgerust om dat koppige gras te verwijderen. Een ganse namiddag was er werk aan met mama voorop. Toen later de eerste ‘allesverdelgers’ er door kwamen werden we ook een vast gebruiker, want er liepen nogal wat baantjes hier en in de moestuin.

Onze tuin bevoorraadde ons van bijna alle groenten. De jonge plantjes werden in de serre geteeld, en dan hier uitgeplant. De bemesting kwam van de twee schapen en de konijnen. Scheikundige vetten werden zeer zelden gebruikt. Achter de steenput was een grote plaats ingenomen door de aardbeien. Doordat ze daar beschermd stonden, hadden we er vroeg, en werden ze ook groot. Er werden elk jaar oude struiken gerooid en vervangen door jonge plantjes. Ze brachten wel minder op, maar het waren grotere bessen, het tweede en derde jaar brachten ze het meest op, maar elk jaar werden de bessen kleiner, en dienden de struiken dus te worden vervangen.

De grote helft van de tuin werd met patatten beplant. Daarvoor kwam Phile, de knecht van bij de tanten. Eerst spitte hij de ganse tuin om met de spade en werd het mest ingegraven, dan liet mama de kippen er vrij op lopen, want die waren verzot op de regenwormen, die nu vrijkwamen. Een paar dagen later werden de eerste patatten geplant. De sla die in de serre reeds was uitgezaaid werd hier dan ook een deel uitgeplant. Later kwam het zaaien van de radijsjes en de ajuin en de spinazie. De andere groenten volgden op hun beurt: de erwten met hun rijsters, hiervan werden twee beddekens gezaaid, één voor de sloorkens (nog niet volledig ontwikkelde erwtjes), en één van de gewone erwtjes, naast de bonen met hun hoge staken. Op de beneden kant waren de ene helft bieten, en schorseneren en bitterpeeën, later opgevolgd door rapen voor de beesten.

Nabij het hekken stonden de tuinkruiden met tijm en Franse Selder en zilveruitjes en nog meer.

Tegen de baantjes stonden afwisselend zeem en stekelbessen die voor lekkere gelei zorgden.
Na het rooien van de eerstelingen werden die opgevolgd door de jonge preiplantjes, uit de kweekbakken in de serre. Telkens er een rij aardappels verdween, kwam er prei in de plaats.
Van de fruitbomen, die overal stonden, waren het merendeel perelaars. Sommige hadden een schoon klinkende naam, maar ik ben er nooit echt op verlekkerd geweest. De kerselaar die we hadden was een heel goede soort van ‘krakers’. Maar weet ge wie er het meest van at? : de spreeuwen. We mochten al content zijn als we eens een ongerepte aan troffen. Ge mocht er vogelschrikken in hangen,en pluimen op een patat aan een koordeken, ze schenen er mee te lachen en als ge kwam kijken, lagen er weer lege kersenpitten te blinken. Toen heeft papa een karabijntje gekocht, maar hij mocht er niet mee schieten van ons mama, ’t was van :“ Och arme die beestjes.”en ‘t karabijn is in den hoek van hun kleerkast geborgen voor altijd. De enige appelaar die er toen nog stond was een zeer lekkere en zoete. Maar de schapen waren ons vóór, als het op oogsten aankwam, eerst waren het die met ‘maaisteken’ (madesteken) en later d’ andere. Met hun harde kop konden ze zulke grote bonken geven tegen de stam, dat de rijpere neervielen, om dan te worden opgeknabbeld. Of ze stonden op hun achterste poten en reikten tot aan de takken en dan schudden. De meeste appels die wij aten kwamen van bij de tanten of van bij Bompapa van Zandbergen.
Overal verspreid vond men kriekelaars, en maar goed ook, voor de geliefde confituur die ze ons bezorgden.
Op een verloren hoeksken stonden een drietal rabarberstruiken. Rabarber geeft immers een fijne confituur op, maar is zo uit de hand ook niet te versmaden. Een echte lekstok.