Voorwoord “De Evolutie”

In de boekenreeks “De Evolutie” vertelt Emiel De Cooman uit Appelterre over hoe het vroeger was. Deze site bevat een aantal artikelen uit het eerste deel van de reeks “Onze jeugd” en het tweede deel “Onze woning”.

  • Een dag” verhaalt een dag uit de jeugdjaren van Em. De Cooman (Geraardsbergen, 1925).
  • Spelletjes” geeft uitleg over de spelletjes die vroeger gespeeld werden.
  • Enkele details” geeft enkele toelichtingen over het hoe en waarom en een betere beschrijving van de levensomstandigheden.
  • Kuisen” vertelt hoe er vroeger gepoetst werd, en “Wassen” over de was en de strijk.
  • “Voedsel bewaren”: over de verschillende methodes die men vroeger gebruikte.
  • De Feestdagen: Pasen, Kerstdag, Nieuwjaaravond, Nieuwjaar, Tweede nieuwjaar, verjaardag, Plechtige Communie
  • ‘t Stad“:Op weg naar school; de beestenmarkt; naar het college; de marktdag; de passerelle.
  • Beroepen“: vertelt over 39 beroepen die Em. De Cooman zich nog goed herinnert uit zijn jeugd.

Inleiding

Enkele dagen geleden kenden we eens een ernstige elektriciteitspanne, die een ‘eeuwigheid’ (23 minuten) duurde.

Even waardig, er eens over na te denken, hoe het zover is gekomen, en te memoriseren over ‘de tijd van toen’.

Geboren in het begin van de jaren ’20 is het eens plezant na te gaan hoe het er toen aan toe ging. We mogen nu reeds zeggen, dat we het grootste deel van de geweldigste vooruitgang  aller tijden hebben beleefd. Wat er nu nog kan volgen is een verfijning en betere spreiding van het ontdekte. Zelfs de striptekenaars en verhaaltjesschrijvers vinden niets nieuws meer uit.

Om aan ons verhaal de nodige uitleg te geven, willen we eens een dagje uit onze jeugdjaren in gedachten herbeleven, vanaf het ontwaken tot het slapengaan.

Voor mijn klein- en achterkleinkinderen zal het zeker een openbaring zijn, zodat zij zouden beseffen in welke weelde ze nu leven. Veronderstel niet dat we het gevoel hadden dat we iets ontbeerden. We hadden al het nodige en leefden in een – voor die tijd – betrekkelijke welstand. Indien we nu zouden leven zoals toen, zouden we aangeduid worden als armoezaaier.

Mijn verhaal beloopt een dagje uit mijn prille kinderleven,  met telkens  in kader en cursiefsschrift, een korte beschrijving of uitleg over sommige woorden of zinnen. Later … zullen we sommige onderwerpen meer uitbreiden,  zoals voeding of kleding, speeltuig en alles wat het leven mooier en aangenamer maakt.

Indien ik over geen foto beschik, zal ik soms trachten met een schets  of een plannetje mijn uitleg wat levendiger voor te stellen.

Als ik spreek van ‘ ’t stad ‘ (onzijdig) dan is de betekenis in Geraardsbergen : de stad als gebouwengroep,  bevolking.

Spreek ik van ‘ de stad ‘ dan betekent dit de administratie zoals politie, gemeentebestuur, enz .

Het kan voorkomen dat ik wel eens van de hak op de tak spring,  maar dat gaat bij het verhalen ook zo. Men heeft zoveel tegelijk te vertellen…

De personages in de  anekdotes zijn fictief en dienen alleen om de sfeer natuurlijker te laten overkomen.

 Em. De Cooman

Een dagje in 1925

Stel u voor dat ge naar de trein of school gaat in 1925. Hoe ontwaakt ge? Een natuurlijke reactie zou vandaag zijn, de elektrische wekker even aan te raken om hem te doen zwijgen. En aan het koordje boven ons bed trekken, om in het licht te baden.

Bij ons stond op de nachttafel een klein petrollichtje, dat de nacht door bleef branden. Ik heb andere versies gekend van gewoon glas en die waren beter omdat men daar de stand van de petrol best kon zien. Het onze stond op de nachttafel en dt van onze ouders stond op een ‘hangske‘ aan de muur. Het gaf een spookachtige verlichting, dit kleine pitje, dat nog niet eens de helderheid had van een kaarslicht. De blauwe zijde werd zorgvuldig naar de slapers gericht, om deze niet te storen door zijn helderheid. Het schaarse licht dat op het plafond en de muren scheen was een bron om er spoken en geesten te doen in verschijnen voor onze kinderogen. Samen met het korte verhaaltje dat we toen soms te horen kregen. Spookachtig. En maar slapen tot…

Nachtlampje We werden gewekt door onze ouders, maar meestal toch door mama. Op slaapkamer van onze ouders hing een wekker slingerhorloge. Later, als we groter waren, hebben we zelf een wekker gekregen, een ‘Jaz –wekker’, en die maakte nogal lawaai, niet alleen voor het opstaan, maar aldoor van ‘patjiek patjak’ de ganse nacht.

Wekker Er werd een kaars aangestoken, die in een veiligheidskastje stond. Dat was zeker geen slecht gedacht want wij waren tenslotte kinderen die er mee moesten omgaan. Het diende dan ook bij al de werkjes die buiten in het donker moesten gebeuren, zoals : de schapen eten geven of de staldeur vergrendelen of zelfs Black,den hond ,nog eten of vers water te geven.
In het schaarse licht trokken de groteren de kleren aan. Mama hielp de kleinsten, en daarna vlug de trappen af. Wij mochten blij zijn dat we in de stad woonden en reeds gas hadden. Op de meeste plaatsen moesten ze zich beredderen met petrollampen.

Kaarsen Eens beneden trok Mama aan het kettingske van de gaslamp en floep daar brandde het felle licht.
Doordat de lamp voorzien was van een ‘veilleuse’ (waakvlammetje) moest er niet gezocht worden naar stekjes of ‘Kraschers’ en door aan het kortste kettingsken van de twee, te trekken werd gas aangevoerd en kreeg men direct volle licht. Men moest zeer voorzichtig zijn met het ‘beuzeken’ (de lampkous uit porselein) want, eens gebruikt, was ze zeer broos.

Gaslicht Eerst werd de cuisinière (keukenvuur) aangemaakt met houtsplinters en kapsel, of schavelingen, die de avond ervoor in de koolbak werden gelegd. Een stuk gazet in de stoofpot en enkele splinters erop en dan aansteken met een steksken en een brokje grof hout erop en ondertussen de moor voor de koffie vullen met twee pollepels water van in de emmer onder de spoelbak.

Cuisinière

De moor werd dan op het vuur gezet zonder een ring op te leggen. Als het hout goed in brand was werd er met de oelenschop (koolschop) een schep kolen uit de koolbak op gedaan en dan snel de moor er weer op. Onderwijl werd de koffiepot leeg gegoten in de afwasbak in de keuken. De ‘kaffebuzze’ werd leeggemaakt in de koolbak en de ‘proes’ werd later mee verbrand.

Koffie zetten

De kleinsten die boven nog niet gekleed waren mochten in de zetel met hun tabbaard over hun knieën nog wat luieren en wachten op hun wasbeurt tot na het eten. De groten moesten immers naar school. Zij mochten zich beneden aankleden onder toezicht en met hulp van mama. Die kleren hadden ze den avond ervoor op een stoel gelegd en omgeruild voor den langen tabbaard.

tabbaard

Op onze kousen waren we beneden gekomen en nu rap de schoenen eerst aan want de stenen vloer was koud.

De groten hadden hoge schoenen, men beweerde toen dat dat goed was voor de voetenvorming. Maar het ergst van al waren die lastige ‘rijkoorden ‘ (veters), die we maar niet geknoopt kregen en dan op mama’s hulp moesten wachten. Voor de groteren was het wassen geblazen.

Één voor één moesten we aan de pomp in het washuis ons gaan wassen met kaarslicht. Dit was zeer comfortabel want er was een arduinen pompsteen. Een tip van de grove katoenen handdoek werd nat gemaakt en het stuk ‘Cadum’ of ‘Palmolive’ zeep werd er even op gewreven zodat er wat schuim was en daarmee werd ons gezicht dan ingewreven, maar pas op voor de ogen, want dat prikte geweldig. Nog een trok vers water van de pomp op de tip van den handdoek, om daarmee ons gezicht af te spoelen om dan met den anderen droge kant ons façade af te drogen. Uit het kambaksken aan de andere kant van de pomp namen we de ijzeren kam om die door onze wilde haardos te trekken.
Er hing ook een spiegel, waarvan de hoek al jaren ontbrak, om even te kijken en dan rap naar de klein keuken, want we hadden honger en geen tijd om te treuzelen.

De pompsteen

 

Het ochtendmaal

Elk had zijn vaste plaats aan de lange tafel die in den hoek van de kleine keuken stond. Aan de muur was een lange houten bank, zodat er niet te veel stoelgeschuif was. In het midden van de tafel troonde de koffiepot waar de aangename aroma’s opwalmden om onze appetijt nog wat aan te wakkeren. Hij stond daar fier op zijn ijzerken om het tafelkleed niet te bevuilen.

Op de tafel stond, in een aluminium serveerblad, een stapel boterhammen die ons mama ondertussen al had klaargemaakt. Het brood, dat meestal van bij den bakker op de markt kwam, werd vroeger nog met de hand gesneden met een groot broodmes. Eerst werd met de punt van het mes een groot kruisteken over de ganse grootte van het geurige brood getekend, en dan pas werd het aangesneden. Dat mes was gemaakt uit een bajonet uit den oorlog 14-18. Met een streep boter erop, margarine kwam pas veel later op de markt, en een lik confituur, was het een uitdaging om dit zo snel mogelijk te verorberen.

Het Ochtendmaal

Om de ‘kosten’ (korsten) van een nieuw brood werd er soms wel eens ruzie gemaakt. En dan sneed ons mama er nog een paar kanten af, zo-dat elk zijn korst had. De rest werd dan een boterham zonder korst. Later werd het brood gesneden in de kelder (dat was maar drie treden lager dan de keuken en mondde in de trapgang uit. Daar was een snijmachi-ne op een tafel vastgemaakt en moest ge uw boterham snijden door aan de zwengel te draaien).

Als alleman dan eindelijk op zijn plaats zat werd er rap een kruisteken, of iets in die zin, gemaakt ,want de halve boterhammen lagen te wach-ten. In een ‘jatte’ (koffietas zonder oor) werd het brouwsel geschonken dat koffie heette. Voor sommigen werd er een scheut melk bijgedaan uit het aluminium melkkannetje. En de aanval kon in alle stilte beginnen. Men zag zo de stapel boterhammen smelten. Eerst de boterham eens flink soppen en dan bijten. Een heel grote beet tot ver in de boterham.
Na een paar beten, werd dat er met de koffie doorgespoeld en met het laatste beetje nog in de hand, werd er reeds naar de volgende boterham gegrepen.

De kleinsten, die mama nog moest helpen, hadden elk hun eigen alumi-niumen kroesken, die hadden een oortje. Dat brak niet en de kleine had dat steviger in de hand en het was beter dan een geëmailleerd waar ge aan de afgesplinterde kanten uw tong kon kwetsen doen. Een scheut koffie met veel melk en daar dan den boterham flink in soppen en dat dan opzuigen en opsmaschen. Ze hadden nog een ‘bavette’ aan tegen het morsen.

Ge moet niet denken dat het alle dagen gelei was, er was ook voor de verandering eens peperkoek met of zonder suikerkens, maar die van Elodie Ronimus uit de kruidenierswinkel, was den besten. Peperkoek kwam vooral op tafel als er een algemene opstopping plaats had. Een snee bedekte een volle boterham en stak er nog buitenuit. Dat werd er eerst afgeknabbeld voor den eigenlijke boterham aan de beurt kwam. In de winter kregen we vaak honing tegen de vallingen. Een lekkernij was plattekaas met bruine suiker, maar dat was meer voor den vierurenbo-terham. Gewone kaas was er wel. Dat werd gekocht als er een iemand op bezoek kwam, in een kaaswinkel in de Grote straat. Daar waren wel honderd kaassoorten te vinden. Vooral nonkel Jaak (die toen inspecteur was op de treinlijn Gent – Geraardsbergen) lustte een schelleken kaas bij zijn vieruurtje.

Soms werd er ook eens afgewisseld met perensiroop. Maar liefst van al hadden we nog de confituur, die mama zelf maakte van de zeembessen en de krieken uit den hof. Veel werd er niet gebabbeld want het was de regel aan tafel : “Zwijgen bij het eten”. Enkel een paar woorden zoals : “ Ma, koffie, als ’t u belieft”
En als er dat laatste niet bij was, werd er schijnbaar zelfs niet naar de rest geluisterd.

Eens de magen gevuld, werd er aan school gedacht. De handen werden afgewreven aan de keukenhanddoek om de resten van de gelei te ver-wijderen.

De ‘carnaciere’ (boekentas) werd aan een snelle controle onderworpen en we konden voortgaan. De mode van tussendoortjes was nog niet uit-gevonden. Voor de groten was daar een boek en een lei in met de griffel voor de kleinere een pisdoek of een reserve broekje voor geval van een accidentje.

 

Naar school

Mijn oudste gedachten die in mijn geheugen nog voorkomen zijn een schooldag in de peuterschool van Hunnegem. Het moet geweest zijn na de dood van ons Franske. Die volgde op mij en is gestorven aan de seskens (de stuipen), toen mijn moeder zwanger was van onzen Lieven. De zusters,  waar mijn mama goede relaties mee had, hadden het haar aangeboden om mij en Pol naar school te laten gaan, om haar de  zware last van de verwachting  na dit droeve feit een beetje te verlichten.

Ik vermoed dat ik daar in Hunnegem twee termijnen naar de peuterklas ben geweest. Papa bracht ons ernaartoe met zijn moto. Een ‘Douglas’ van uit den oorlog.(1914-18).  Vraag me niet hoe dat ging, met mij en Pol aan boord…, maar we waren er, en alleen in de voornoen, als mijn geheugen me niet in de steek laat. Dat stemde overeen met de periode dat papa les gaf als tekenleraar in het Karmelieten.

Moto Douglas 1914-1918

In de flarden uit mijn geheugen zie ik nog één feit uitspringen. Iets was mij, armzalige, overkomen, iets wat elk kind wel eens voorheeft of kan voorhebben… Midden in de voormiddag kreeg ik ineens zulke krampen en met een windje kwam er wat saus mee. Wat zeg ik ‘een wat’, ik denk ‘een halve emmer’. En het bleef maar komen. Het andere kind dat naast mij op de lessenaar zat, schoof op en verliet wegens de lekkere geur de bank. De zuster, in groot ornaat met haar grote zwarte kap en een witte gezichtsomlijsting,  kwam in mijn richting en na eens haar neus opgetrokken te hebben verdween ze geluidloos in de gang. Weg, verdwenen.  Maar dat gezicht ben ik nog niet vergeten. Die afgrijns van die geur en die manier van afwijzing en gruwel staaTroost bij maman nog vers in mijn geheugen.
De andere kinderen werden van rond mij verplaatst door een andere zuster,  die meer een moederfiguur had, en ze werden bij de belslag de koer opgestuurd.
En ik, peutertje van twee a drie jaar, bleef daar moederziel alleen,  in die scherpe adembenemende stinkende geur,  verweesd achter, krampachtig samengetrokken  gezeten in die warme  brij, die stilaan uitweg vond langs de broekpijpen naar beneden en in fijne druppels en beekjes  mijn billetjes afvloeide, richting schoenen en kousen. En stinken dat dat deed …en krampen dat ik had. …
Een eeuwigheid later, na een forse tok op de deur, verscheen, eindelijk een bekend gezicht,  mijn papa, in het deurgat.  Ik was heel opgelucht, en bij het zien van een bekend iemand waren de krampen direct veel minder. Zonder veel commentaar greep hij mij met zijn handen om mijn middel en torste mij in een wip op en liep met mij vooruitgestoken naar zijn moto. Die stond daar voor de poort en hij plofte mij voor hem op de nafte tank. De bruine saus bleef maar lopen in een fijn straaltje langs mijn benen,  op mijn kousen en mijn schoenen. Hoe hij mij thuis heeft gebracht, weet ik niet meer, maar wel dat er een bassinsken met warm water klaarstond en dat hij mij met kleren en al erin neerzette.
Ik ben in geen moment van mijn leven in al mijn miserie zo gelukkig geweest als bij het zien van mijn mama. Ik heb alleen : -“Mama”,  gefluisterd.  Mama heeft me dan gewassen. Ik denk dat ik twee soppen heb gekregen. Maar dat ze wasspelden op haar neus gestoken had, ben ik zeker van overtuigd.  Met een vers hemd en een propere tabbaard aan ben ik nadien in een rolleken op haar schoot in slaap gevallen.  Een geluk dat mijn vader geen reuk kon rieken. Hij heeft zeker geen schietgebedjes gelezen bij het schoonmaken van zijn  ‘Douglas’ motor.
Dat is het enige wat ik van mijn schoolbeleven in Hunnegen heb onthouden. Ik ben nu de hemel dankbaar dat er toen reeds telefoon was en wij er één hadden, want hoe zouden de zusters van Hunnegem mijn mama of papa hebben kunnen bereiken. Het waren immers slotzusters.

Nota: De enige telefoon van het klooster stond in het bureel van de priorin en die besliste, in eigen persoon en naar geweten, of de zaak wel ernstig genoeg was  om te telefoneren. Maar in dit geval lukte het, daar mijn moeder nogal goede relaties had met “Hunnegem’.  Ze was er immers tot haar zestien jaar geweest en had er het lager humaniora gestudeerd om nadien naar Eeklo verder bij de “Notre Dame du Sacré Coeur “ haar hoger humaniora te volmaken. Ons mama ging er later nog regelmatig, met haar spruiten aan de hand, heen om de tijdsgenoten, Soeur Elisabeth en Soeur Elige te bezoeken. Wij mochten dan als uitzonderingen in de tuin  rondlopen. Terwijl mama met de zusters in het Frans verder uitweidden over het leven buiten het klooster.
In Hunnegem waren  het Benedictinessen (slotzusters), kloosterlingen die nooit buiten het klooster mochten komen, tenzij voor de gemeenteverkiezing ( sinds 1921). Dat gebruikten ze dan ook om er een uitstap van te maken door de bijzonderste straten van de stad. Deze regels werden later veel versoepeld.

 

Naar het Kloosterhuis

Het kleuter en peuter onderwijs was toen al gemengd, maar wel zaten de mannekens aan de ene zijde en de meisjes langs de andere zijde van de ‘klas’. Later in het eerste studiejaar werd dan alles  in het onderwijs gescheiden in verschillende scholen. Zo hadden we voor de jongens het ‘College’ of de ’Karmelieten’ (eigenlijk de Josefieten), als katholiek onderwijs,  en de ‘Ecole Moyenne’ voor de anderen. Voor de meisjes was het ‘Zusterhuis’ in de Kloosterstraat en het voornoemde ‘Hunnegem’ voor katholiek onderwijs. Naast de ‘Ecole Moyenne’ (staatsschool) had ook de stad scholen op de Kaai en in de Gaffelstraat en de Buizemontstraat.

Met het overgaan naar de eerste kleuterklas, dus vanaf mijn vierde jaar, mochten we naar de dichterbij gelegen kleuterschool in de Kloosterstraat gaan. Een meisje, Elise van Matte Bonne,  uit de geburen nam ons plichtbewust elke dag mee. Ze deed dat voor een paar centen of een paar snoepjes. Voor een snoepje werd toen veel gedaan.
Hier spreekt vooral de naam van zuster Himelda tot mijn geheugen. We bleven gedurende de ganse tijd bij haar in de klas en telken jare schoof ze mee op. En de nieuwe lichting werd aan een andere zuster toevertrouwd. Dat bevorderde het moedergevoel van de nog kleine pagadders. Een kleine val of wonde werden door haar genezen door er eens over te wrijven en een klein kusje en dan eens tegen haar aanleunen tussen die lange zwarte rokken. Een attractiepunt voor ons was die lange witte koord, die ze om haar midden droeg, met een paar stevige knopen in. Ik weet nu nog altijd de betekenis niet van dat.Matjes weven
Wat we daar als vierjarige peuter leerden was  onder andere ‘stoffen uit-pluizen’. Dat was met een stopnaald (naald zonder scherpe punt)  de stof uit elkaar halen zodat we enkele draadjes konden lospeuteren. In het lager onderwijs leerden we voor handwerk ‘speldenkussentjes naaien’ en dat was dan de vulling. Het waren stukjes afval van de weverij Flamand, die ‘het klooster‘ daar gratis kregen. Ook de moeders hebben er later van gebruik gemaakt om de versleten stoffen wat te herstellen. Dit gebruik werd overgehouden uit den oorlog ‘14-‘18,  toen alles maar moest blijven hersteld worden,  er was immers geen nieuw.
Het ‘matjes weven’ was een andere handigheidsbezigheid. Van tussen de plooien van haar zwarte rok toverde de zuster dan een schaar tevoorschijn, en knipte met bedreven hand het gekleurde papier in lange smalle repen die we dan mochten weven tot een papieren matje. Pas na nieuwjaar mochten we dan met verschillende kleuren ook tekeningen weven. In plaats van “eentje op eentje neer”, was het dan van “eentje op twee neer”. Ook werden de reepjes al maar smaller en het basis patroon leerden we dan ook  zelf snijden met een schaar, zonder scherpe punten.
Met Pasen kregen we dan onze weefselstukken mee naar huis om daar onze evolutie te tonen en een dikke proficiat te oogsten. Er werden ook nog oefeningen gemaakt met breiwol maar dat was niet zo schitterend want die draad kronkelde vreselijk en rap was alles een verstrikte warboel. Er werd toen meer tijd gestoken in het ontwarren dan in het weven.wevenZuster Himelda had een luide stem, als een klok. Alhoewel ze de goedheid zelve was, hield ze erg veel van tucht en was ”niet van uw plaats weglopen” een wet. Haar persoonlijke voorkeur ging naar liedjes zingen. De hele klas zong dan mee,  zo hard soms dat de zuster van de andere klas eens kwam vragen of het niet wat stiller kon.
In de eerste termijn was het natuurlijk dat we de nieuwjaarsbrief leerden. Al na de tweede week was het van dat: “Lieve Peter,” en dat werd er zodanig ingeoefend, dat, als we gingen slapen, we tegen papa zeiden : “Lieve Peter”.
Op het eind van het jaar kende iedereen zijn nieuwjaarsbrief,  tot en met de fijnste en elegantste bewegingen erbij.
Verhaaltjes vertellen kon die ook goed. Telkens na het weefuurtje kon er dan nog  een fijn verhaaltje bij. Dan zaten alle bengels met opengesperde ogen naar het, met veel gebaren begeleide, verhaal te luisteren, soms met een klein traantje in de bange ogen.
Op het teken van de grote bel op de koer werden alle bezigheden gestaakt en nu, mooi op een rij, verlieten we de school via het klein poortje in de Boelaarstraat. Daar aan den hoek, moesten we wachten tot Elise, onze begeleidster, ons oppikte en we de bergop klommen om naar huis ons middageten te verorberen.
We moesten dan telkens voorbij Lodie (Elodie Ronimus) passeren en daar lagen de snoepkens  en karamellen zo naar ons te lonken dat we met water in de mond verder de straat overstaken langs de publieke pomp zo langs Miel, de beenhouwer, voorbij.   Het pleintje (voetpad) naast de straat was hier niet meer goed om op te lopen, dus gingen we maar gewoon op de straat. Er was toen nog geen gerij. (ge kondt de auto’s op uw één hand tellen die er op een week passeerden.)Snoepjes en bollen

 

 

Het middagmaal

Door het snelle klimmen waren we bijna ademloos.  Aan het hekken leverde Elise ons af door eens flink aan de ketting van de  bel te trekken. Dan zagen we na een paar seconden het gezicht van mama van om den hoek van de keuken komen kijken.   We stormden toen als losgelaten wilden  door de ‘peloese’ naar de keuken. Veel later hebben we zelf daar een baantje aangelegd dat van aan ’t hekken recht naar het washuis liep. Eerst de voeten afkuisen aan de mat in het waskot,  en met een trok aan de pomp onze handen even nat maken en die  dan aan de grove handdoek afdrogen.
Dat was de routine van elke dag. Bij het betreden van de grote keuken snoven we de lekkere geuren op van de heerlijke maaltijden die ons mama voor ons telkens klaarstoomde. De jassen werden  met veel omhaal aan de kapstok in de hoek van de grote keuken gehangen.  Nee, liever, ‘gesmeten’. Met veel lawaai schoven we tussen de bank naar on-ze vaste plaats aan de grote tafel.

Eten op tafelNormaal stond daar alles klaar. In het midden stonden twee of drie ijzerkens (onderlegger) om de hete potten op te zetten.
De eenvoudige witte, platte en diepe,  borden stonden elk op hun vaste plaats, met vertinde lepels en vorken. Messen kregen we nog niet, dat was voor als we groter waren.  Na een kruisken,  werd door mama de soep uitgeschept.  Het werd er almeteen stil, want spreken was  vanaf het kruisteken verboden. Elk een grote pollepel soep en nog een grote toemaat bij. De vertinde  witgeschuurde lepels  begonnen geruisloos hun werk. Alleen klonk het soms  het van: -“ Ma, nog wat, als ’t u belieft”.  Alleen het getik van de lepels in de borden was te horen. En  weldra was de grootste honger over.
Ik geloof niet dat we tienmaal geen soep of iets dergelijks gegeten hebben.  Er waren toen ook veel soorten soep,  maar telkens was prei  het hoofdbestanddeel.
Dan eens met ajuin,  dan eens met erwten,  of met witte bonen of met zwarte boerentenen. Tomatensoep met ballekens werd maar enkele keren gemaakt, als er in de serre gelijktijdig rijp vielen.  TomatenOf een paar keer in de winter van de tomaten puree, die ons mama zelf gemaakt had in de zomer.  Een stuk ‘boelie’ (soepvlees) of een soepkieken met witte balletjes gaven de nodige variatie aan de soepen voor de  zondagen.
Was het geen soep, in de zomer als het te warm was om achter dat fornuis te staan, wel  dan was het eens ‘bootje varen ( een beschuit in de botermelk en die laden met cristalisé (kristalsuiker) tot die zonk.),en dat  met rauwe  botermelk, waar de klontjes boter nog op zwommen,  Of was het eens gekookte botermelk met stukjes appel. Biersoep, met bruine suiker, was ook eens een afwisselende lekkernij.  Maar wat ik niet meer gegeten heb sinds mijn kinderjaren is : de ‘Wijnsteenpap’ (bij den apotheker werd wijnsteen of wijnsteenzuur gehaald. Dat met water gekookt en aangedikt met bloem. Dat was dat een lekkernij.)
Na de soep werd er geen pauze gemaakt, want direct daarop volgde het luid  vanuit de grote keuken : -“Pas op, want het is warm!”
Dan kwam de patattenkom op zijn ‘ijzerken’ midden op de tafel. De grote aluminiumen kom, boordevol dampende aardappels van eigen oogst, stond daar dan te wachten op de aanval.  Die waren toch zoveel smakelijker dan deze, die we soms op het einde van het seizoen, moesten kopen. Maar we waren toen, in dat geval, ook reeds blij want binnen enkele weken was het dan de beurt aan de eerstelingen van op den Buizemont. Die waren telkenjare twee tot drie weken eerder dan die uit onzen tuin. Dat kwam door zijn zuidelijke ligging op de flanken van de berg.
SavooikoolDan volgde, uit een kleinere kom, een schep verlokkelijk riekende groenten, sommige vielen beter in de smaak dan andere, savooikool was zo een mindere.

Maar bovenaan stonden, geloof ik bij iedereen,  de prinsessen.  Bijzonder op den vrijdag,  dan was het ‘ prinsessen met melksaus’ met gekookte eieren.

PreiAls ik er nu aan denk komt nog het water in mijn mond. Ook in de winter stond er alle dagen een andere groente op het menu. Verse van buiten waren dan vooral de gestoofde prei en de lekkere spruitjes, maar die wa-ren best als ‘het er eens op gevroren had’, vertelde men toen. Ook de schorseneren vonden we heerlijk in een witte saus. Maar dan had mama telkens voor een paar dagen zwarte handen van het schrapen.
De wortels waren wel wat droger dan in de zomer, maar met een greepje gedroogde selder uit de zak onder de schouw en wat gedroogde tijmoes,(thym), lekker in een gebonden sausje,  was het wel fijn. Wat we toen ook nog aten was de suikerij wortel. De  witte wortel ‘cichorei’ was fijn maar nogal bitter, zodat hij twee keren gekookt werd. Met een zachte botersaus smaakte die best. Deze groente is thans volledig van de tafel verdwenen, hoewel hij nog geteeld wordt om de cichorei (suikerij voor de koffie) van te maken en ingelegd in de winter levert hij  ons het geliefde ‘witloof’.  Witloof was, evenals Asperges, een zeldzame en dure groente die we alleen in de winkels in de stad konden krijgen. PrincessenboontjesPrinsessenboontjes waren in het zout opgelegd. Uit een stenen tobbe in de kelder werd een paar pollepels brei geschept en die werden dan in een stermijn (verzijp) flink afgespoeld onder de pomp, tot dat er alleen prinsessen overbleven. Die werden dan eerst eens gekookt om het meeste zout te verwijderen en daarna zacht gekookt in regenwater of water met een beetje bicarbonaat bij het harde water uit de steenput. Ik heb altijd horen zeggen dat ze dan minder zout  en rapper gaar waren, maar zout waren ze nog genoeg.
Rode koolDe kolen en vooral de rode, waren vóór de winter van de tuin gehaald en in de kelder in droog zand bewaard. Men kon die wel houden tot met Pasen.  De knolselder werd ook in het zand bewaard, maar die was dan meer bestemd voor de soep.  Erwtjes daarentegen kwamen uit een lijnwaden zak, die onder de schoorsteenmantel hing, die moesten van de avond tevoren  in water geweekt worden. Een lekkere afwisseling was de appeltrot. Van de appels uit den tuin die in de kelder op rekken bewaard lagen. Fijn gereed gemaakt, met een stek kaneel en hier en daar nog brokskens in en gesuikerd met echten bruine suiker, was het een dessert op zichzelf.
Maar wat we ook soms op ons bord kregen waren gedroogde appels. In het afgaan van ’t jaar (najaar), als de appels van de bomen vielen, werden die in patattenmanden van de boomgaard gehaald. AppelGeschild en van hun klokhuis en de maaiesteek  (madesteek) ontdaan en dan op een fijn grilleken op de buis van de stoof gedroogd tot ze ‘rotelden’ (rammelden). Aanvankelijk lag de grille vol, maar na een paar dagen was het aantal flink gedaald. (omdat ze lekker waren en ook papa en mama er van lustten). Maar elk jaar bleven er genoeg over om enkele lijnwaden zakken te vullen. Om die klaar te maken moesten ze een nacht weken in een grote kom, want die zwelden weer op. Om ze klaar te maken moest men ze afgieten en na een paar minuten op het vuur waren die zacht en dat met bruine suiker, zelfs zonder kaneel, was dat een echte lekkernij.
AjuinEen ander lekkernij was de ajuinsaus  of soms ook sjalottensaus. Die werd alleen  de maandag, de wasdag, gemaakt, omdat dan de stoof goed moest branden en dat de saus al van in de vroegen morgen op de buis kon staan sudderen.  Als we die ringskens op ons bord kregen,  was het tellen hoeveel er waren, en pas op als er iemand één meer had! Er werden dan geruisloos tekens uitgewisseld en als mama het onrecht zag, werd dat  hersteld.
In de zomer was het natuurlijk alle dagen verse legumen uit den hof. Jonge worteltjes en sloester erwtjes  en natuurlijk de sla. Maar daar waren we niet zo verlekkerd op. Er waren soms van die kleine krinkelende vriendjes bij, zelfs na het wassen in vers water met een flinke scheut azijn. ( Bij mij was dan den appetijt direct weg .) De andijvie en bijzonder de krulandijvie waren wel een beetje taai maar gingen goed binnen, als ge dat alles direct met uw geplette patatten en met een Hollandse saus mengde.
Tomaten van toen waren een lekkernij  als ze in de serre op een plank fel rood waren geworden, tegenover die van nu, die trekken nu meer op rapen met een rood vel.
De spinazie, met een blaadje zurkel bij, gereedgemaakt volgens een speciaal recept met veel boter en een snee brood erboven op, zachtgekookt door de ‘passe vitte’ gedraaid en dan in de gestampte aardappelen geroerd met een ei en veel melk was een van de uitverkoren gerechten.
Ons vlees kwam van bij Miel ,den beenhouwer. Mals rundvlees bestond toen geloof ik niet, ge kondt er een kwartier op knabbelen en… dan werd het stiekem onder den arm aan Fanny, den hond, doorgegeven  en van die ijzeren wegen (pezen en zenuwen) die daarin zaten. Het varkensvlees was wel een beetje malser, maar had een grote vetrand, en dat lustten we niet,  maar Fanny wel. Dus na het afknagen  onder den arm ermee. Mama sneed aan haar tafelkant ons vlees in stukskens  en papa den anderen kant.

WorstHet liefst wat we hadden was saucissen, goed doorgebakken. De saus daarvan diende om de vuurberg te vullen. Dat was een kuiltje in de geplette patatten. Mama wist dat en had de saus reeds met een goede scheut water aangelengd zodat alle vuurbergen overliepen.
Als het ballekens waren, stonden we graag mee te helpen van op een stoel naast het gasvuur, om er ook eens eentje te rollen. Natuurlijk verdween er dan ook eentje in de mond.
Naast het vlees hadden we natuurlijk de eieren.  Verse, die onze kippen legden, of de opgelegde, die in de kelder bewaard werden in een tobben met ‘silicat de potasse’ of in kalkwater,  die moest ge maar even afspoelen en waren lekker vers.
De eieren  werden ook op verschillende manieren klaargemaakt, maar het liefst hadden we een roerei. Als het geen vrijdag was waren er soms stukjes versnipperd spek bij, of soms een beetje sjalottensnippers, maar liefst zonder bieslook. Papa had graag een paardenoog en dat werd dan voor hem soms eens apart klaargemaakt.
Den opgelegde haring kwam vanuit een winkeltje boven de Vesten. Uit de groten glazen bokaal werd dan een van – kop – en – vinnen – ontdane haring op uw bord gelegd nog voordat uw patatten erop kwamen. Gelegen op zijn zij werd er in zijn flank een snee gegeven tot tegen de graat en dan met de vork de ene helft weggetrokken en daarna de andere helft, dan werd hij omgekeerd en weer een snee en werden de beide heften verwijderd.  Biefstuk frietZo had men vier stukken filetjes die dan verder werden versneden tot hapklare brokjes. Samen met fijngesneden snijbonen met een azijnsaus werd dit zeer gewaardeerd.
Wat we als rakkers zeer graag op tafel zagen verschijnen waren de frieten. In den beginne werden die met de hand gesneden maar bij het groeien van het gezin groeide ook de hoeveelheid eten en heeft papa dan maar een frietsnijder gemaakt. Het ging veel sneller. Deze werden in de grote verlakte ketel in twee beurten goudgeel gestookt.
Als we heel kleintjes waren was haring een vrijdageten bij uitstek. In het winkeltje boven de Vesten hadden ze de lekkerste die ze toen nog zelf oplegden in azijn. In een groten glazen bokaal,  met wel twintig haringen,  kochten we dat daar.
Vis kwam later veel aan tafel. Na de periode die we in de grote vakantie aan zee geweest waren, zo  rond 1934,  hadden we gedurende enkele jaren een visabonnement.  Elke week kwam de leveringswagen van de statie een houten kistje afleveren met verse vis tussen enkele brokken ijs. Soms was het kabeljauw dan weer schelvis of pladijs of roodbaard, ik weet niet meer hoeveel soorten er waren.  Papa en mama vulden het document in en bestelden  zo welke vis we volgende week zouden eten. Hij was lekker vers,  want toen hadden we nog een rechtstreekse treinverbinding met Blankenberge.
Een eigenlijk dessert kenden we niet. Maar er kwam tamelijk veel crème op de tafel om de puttekens te vullen. Die werd dan in een klein teljoortje voor onzen neus geschoven en met een klein lepeltje opgelepeld, maar om zeker te zijn dat alles op was, werd die dan eens goed afgelekt.  Een specialiteit van mama was:  in een glazen potje enkele boudoirkens recht zetten en dan de rest vullen met crème, omdat dan snel te koelen werd er in een bassin koud water gedaan  liefst vers van de steenput en daar de pottekens ingezet. Zodat er tegen, na het eten, een dik vel opstond. Bij speciale gelegenheden werd daar een weinig chocolade over geraspt.
PruimAls er zo iets niet was,  dan was het een appel of een peer die werd dan, met de mouw,  schoongewreven tot hij blonk en met grote beten opgeknabbeld. Alleen het klokhuis bleef over, maar dat was goed voor de schapen. Kersen, dat was nog in de schoolperiode,  maar pruimen dat viel gelukkig in het groot verlof, gelukkig, wegens de snelle reactie van de darmen.  In de winter, zo rond de Klaasdag, kwam er soms een paar dadels of vijgen of appelsienen bij.
AardbeienIn de periode van de aardbeien was het alle dagen een potje fijn gesneden aardbeien met daarop bloemsuiker, net zoals nu. Dat is nog altijd mijn favoriete fruit.  Maar die periode duurde spijtig genoeg niet lang.
En als er nu eens echt niets was,  bracht een lekkere speculoos de uit-komst.
Als papa aan tafel zat las hij veel de krant.  Mama moest dan ook altijd een van de kleinere helpen. Als we soms te  rumoerig waren, ook zonder spreken, dan kon men van papa soms een ‘fleiter’ (oorveeg) krijgen als een boze reactie. En dan volgde een stille huilbui.
Na een kruisken mocht er weer gesproken worden en dat was dan een lawaaibui van al dat opgekropte, wat men moest gezegd hebben.
Als Elise een trok deed aan de bel, was dit het teken van de aftrap. Gelijk  halve wilden stormden we naar buiten, onderweg onze jas aan ’t aantrekken. Onder het ‘strengdoen’ van het oudere meisje trokken we  braaf naar school. Ik moet niet zeggen dat bergaf gemakkelijker verliep dan bergop.  Door de slechte staat van de voetpaden was het toch oppassen geblazen,  want een valpartij zette  meestal een grote bleitpartij in. Eens afgeleverd op de speelplaats van ’t school had het meisje haar taak volbracht en verdween ze naar haar klasgenoten. We liepen naar onze toenmalige kameraadjes tot de grote luide bel ons teken gaf. Vóór ons klasje moesten we rechtop in de rij  gaan staan. De zuster ( in ’t Zusterhuis waren het ‘zusters’ en in Hunnegem was het van ‘soeur’) wachtte ons  op bij de ingang van haar klasje en bij haar teken werd er in de klas gegaan elk direct naar zijn bank, met tweeën naast elkaar konden we nog gauw een woordje babbelen. Op een teken van het klein belletje  dat  zuster Himelda gaf,  werd er een weesgegroetje gelezen, en van dan af werd het weer stilletjes. de ‘cursussen ’ van knippen en tekenen werden weer aangevat.
NonAls we groter waren en naar het College gingen,  keek papa eens op zijn zakuurwerk en,  uit de woorden die volgden, moesten we rekenen of het lopen of hard lopen was, om niet te laat te komen.   Later  gaf een blik op de horloge (een slingeruurwerk dat achter de zetel hing)  ons aan dat we terug naar school moesten in ijl-  of spoedtempo. (Dat geef ik nu aan, maar zo ver gaat mijn uitleg over vroeger niet. Die beloopt mijn prille jeugd tot in het Zusterhuis.)
In de zomer was het soms warm en werden de oogjes van de kleine peuter zwaar, dan mochten we ons zwaar kopje neerleggen op ons armen op de lessenaar.  Bij het wakker worden volgde dan veelal gebleet en van : -“ Mijn mama “. Maar dan werden we een beetje betutteld en ging de bui over.
Ik weet niet juist hoeveel speeltijd we hadden, maar het was toch telkens een hele verademing om mijn kleine beentjes te mogen reppen op de geplaveide koer.
Er werd toen veel van ‘katje lopens ‘ gedaan. Voor ‘piepken duik’ (verstoppertje) was er geen mogelijkheid, gezien de open en beperkte ruimte op de speciale kleuterkoer. Die sloot aan bij de bloementuin van de zusters. Er was dan ook geen bal te bespeuren, alleen knikkers en een pateel en de diverse spelletjes met die krijtlijnen op de grond. Nog een klein beetje klas en dan mochten we naar huis. Met hetzelfde ‘afvoer ritueel’ werden we thuis door onze brave begeleidster afgeleverd.
Na de ‘handjes wassen’ – ceremonie, werd in de keuken de aanval ingezet op de stapels doorgesneden boterhammen. Volgens de regels  werden deze in volle stilte verslonden tot er niets meer overbleef.
Na het dankgebed was de avond voor ons. In de zomer was het buiten spelen, maar in de winter bleven we binnen aan de tafel spelen. Papieren vliegers maken was er toen ook al bij, maar knippen en prikken ook. Spelen met de blokkendoos en later met de meccano.
Rond een uur of zeven kropen er al een paar in de zetel om hun eerste uiltje te vangen. Zover mocht het niet komen en mama had voor ons snel een bord klaar met ons avondeten. Op het gasvuur was de melk rap warm en werd er havermout of semoule crème van gemaakt  of simpelweg eens botermelk met appel en bruine suiker. Eens de pap was uitgeschept, was het telkens een andere die de pan mocht uitlekken. Dat gebeurde met een koffielepeltje,  aangevuld met een paar vingers,  soms ook nog begeleid met de tong,  zodat er geen spoor meer te bekennen was aan de kom maar zijn gezicht kleefde van de pap. Soms liet mama er stiekem nog een beetje cristalisé in vallen om de gezichten van de gelukkige van die avond eens op te nemen.
Toen volgde de volgende stap in het dagelijkse leven: Het Slapengaan

 

Het slapengaan

Terwijl de groten zich boven moesten omkleden bij het kaarslicht, werden beneden de kleineren nog in het licht van het gaslicht van hun kleren ontdaan. De kleren werden in de grote keuken op een stoel gedeponeerd met de schoenen  ervoor. Den tabbaard werd uit de kast gehaald en over hun kop aangetrokken. Nu nog een kruisken en een kusje aan papa en we vertrokken in stoet naar boven. Pol met het draagbaar kaarslampke voorop en dan volgde de rest, met als hekkensluiter mama. Het waren veel trappen hoog omdat we op het tweede verdiep moesten. Moe van de ganse dag spelen, doken we in onzen nest.

Verhaaltje vertellenElk bed logeerde twee klanten, die van ouderdom weinig scheelden. In de winter, als het een beetje kouder was, hadden we elk onze ingepakte steen mee. En die warmtebron plaatsten we zelf op de gepaste plaats in ons bed elk op zijn helft. En dan, rap de dekens over de kop, en de voeten gehuld in de tabbaard, staken we onze kleine teentjes uit tot tegen de aangenaam warme steen. Dan staken we onze kop even naar buiten en daar zagen we  mama. In het schaarse licht van het petroleumpitje zat ze aan ’t voeteinde haar zelf aaneen geflanste verhaaltjes te vertellen. Reeds voelden we het zandmanneken komen en mama was  nog niet halfweg aan haar verhaaltje of d’oogskens draaiden weg en …. de rest en zeker het einde weten we niet.
En slapen dat we deden, in dat warme bed, gelegen op het tweede verdiep .
De dag was om. Zo verliep het de meeste schooldagen. Toch waren er den donderdag met zijn halve dag school en de zondagen met een volledig ander uurrooster gezegend. De vakantieperiodes waren revolutionair anders.

 

De Vrije Tijd

Zo verliep elke morgen, zoals gewoonlijk wat eten en schoolgaan betreft, maar de donderdag namiddag, die was heel anders. Toen we nog in Hunnegem naar school gingen, was het ook ‘s middags al gedaan en mochten we thuis, bij mama blijven. We waren toen nog maar met twee, Lieven lag nog in de wieg of kroop nog rond in zijn park. Ik geloof dat we heel normale kinderen waren, en dus ook eens iets mispikkelden. Maar gehoorzaamheid werd er bij ons nog ingepeperd. En bij stout zijn, werd er eens een broek uitgetrokken, en op de knie gelegd, met een paar flinke lappen op ons bloot gat. Het was de beste methode om in een bende jongens, orde op tafel te houden. Als het niet erg was werd er gedreigd met, in het donker kot te steken (de wijnkelder), en de schrik voor duisternis en spinnenwebben haalde het, op onze uitbarstingen. Maar we konden ook lief zijn. Ook de met ons levende dieren deelden in onze liefde, of ze het nu graag hadden of niet.
Hoewel we altijd honden hebben gehad, is alleen onze Fanny de eerste hond geweest die vrij met ons leefde. Het was een Mechelse scheper, dus was hij van natuur uit niet de vriendelijkste. En zeker wou hij niet dat met zijn staart gespeeld werd.
Hij wilde niet als speelgoed aanzien zijn , want, dan was hij weg, onder de tafel, zodat we er niet aan konden.

Aaike poesjeDe katten waren lieve diertjes, die het best vonden dat we hen als speelkameraad aannamen.
Uren konden we dan samen zitten en de zachte pels wrijven tot ze op onze schoot in slaap vielen of lagen te spinnen van de deugd. Tot ook bij hen de slaap toesloeg en allen op een bundeltje in slaap lagen.
Maar de poezen moesten dan ook afkunnen dat we er kattenkwaad mee uithaalden, zoals opsluiten in het konijnenkot, onder de trap buiten. Een geluk dat ze hun kattennatuur al lang niet meer hadden, en geen jonge konijntjes meer lustten. We hebben zelfs een zwarte kat gehad, die er in een poeleken, lag bij te slapen.

Ook de kleine kippetjes hadden het soms te verduren en werd hun eten zelfs mee opgegeten, naar het schijnt, was die maïs lekker.

Albert en Juul met kiekskenOok de andere dieren, maar vooral de jongskens, deelden mee in de pret. Zo zat er eens enen in de renne (parkje voor dieren) van de heel kleine kuikentjes en hoorde mama de kleine zeggen : “ Gij zijt vuil ! “. Toen ze dan van nabij ging kijken, waren al verschillende jonge kuikentjes uit hun park gegooid, en ja, ze hadden geen gave en uniforme witte donspluimkens en… dus vuil. Ze waren nog levend en na wat gegrabbel en gezoek werden ze allen weer in hun park verzameld. Met als resultaat een flinke pandoering en een even grote huilbeurt. Ondertussen was het uitzien naar wat de anderen allemaal deden.
Een geluk dat de kater uit het ‘Hemelrijk’ niet in de omgeving was, want die lustte wel jonge diertjes. Hij besloop ze dan, met alle tijd van de wereld, en op het gepaste moment, was het dan prijs. Zo heeft hij een keer vier konijnenjongsken op een dag verslonden, die onder de zijkant van de renne gekropen waren.
Onder den groten trap had papa een konijnenkot gemaakt. Maar het was slechts afgesloten met een eenvoudig grendeltje, dat ook door een kinderhand kon geopend worden.
Met zeeratje op schootHet was lief dat we die arme diertjes eens wat vers gras konden geven, nog liever hadden ze het loof van de ‘pisbloemen’, waarmee de klein peloese gezegend was, want dat hadden ze graag. Ge kondt die muiltjes dan zien op en neer gaan en dat groen zo tussen die tandjes verdwijnen.
Ik kon maar niet begrijpen hoe ze dat konden zonder handen. Om vier uur hebben we dat dan ook geprobeerd met onzen boterham, maar het lukte niet goed. Tot er een ‘fleiter’ (oorveeg) viel, om ons tot de orde te roepen.
Maar bij het maken van het kot , was niet voorzien, dat een kinderhand dat slot niet goed kon sluiten. Het gevolg was, dat er ook eens het hek niet gesloten werd. Dat hadden de slimste van die beestjes rap gezien, en als mama, dan op de voedertijd haar ronde deed, ontbraken er dan soms wel eens een paar lopertjes in het kot. Dan was het groot alarm, en werd er gezocht, en gelopen, tot allen weer op stal waren.
We hebben ook nog zeerattekens (Guineese biggetjes) gehad. Die waren zeer lief en lieten zich graag pakken. Maar op een keer lag er ‘s morgens ééntje dood, en enkele uren later nog één, zo is de ganse kolonie uitgestorven door één of andere kwaal.

Kijk: een bloemekenWat we ook deden, was simpel bloemekens plukken of vlinders vangen met een groot net.

Op een keer, in een zomervakantie, had Martha van Lonke, de melkboerin, ons beloofd dat we eens ezeljongskens zouden krijgen. Daar hebben we dan ongeduldig zitten op wachten. En ja, op een morgen vertelde ze met veel omhaal dat het zover was, en dat we er na den middag mochten achter komen. Ik geloof, dat ‘s middags nog nooit ons eten zo rap op was dan toen.
Zwermend rond ons mama zijn we dan blijgezind de trappen opgevlogen, zodat mama ons bijna niet kon volgen. Toen we aan de tanten waren ,( de twee groottanten van mama, die in de ‘Planterij’ woonden.) waar mama niet voorbij kon zonder een kort babbeltje. We wilden vooruitlopen maar onzen Juul, die toen nog heel korte beentjes had, was dan nog gevallen en moest eerst bij tante Linneken verzorgd worden. Maar het voddeken was nog niet geknoopt of de vliegende bende snelde naar de bijgelegen boerderij van Lonke.
Door het lawaai had Martha ons al horen komen en stond in het deurgat ons op te wachten. We drumden haar bijna omver om binnen naar de schat te zien. En ja daar lagen de rode buikjes en grote oren, warm onder een stuk doek, in een ‘Solodoos’ (kartonnen doos ) op een bedje van zacht hooi. Wel twaalf waren er. Alle handjes graaiden in de doos om toch maar eens iets te voelen. Ze werden snel gekeurd en al babbelen trokken we snel weer naar huis. De doos werd in zijn gehelen in het wijmen eiermandeken gezet. Alleen de oudsten mochten die aan de oren dragen. Een stop was er aan de tantes niet meer bij. Papa had ondertussen een scheiding moeten plaatsen in het konijnenkot. En in een hoek werd de aanwinst dan met volle belangstelling geïnstalleerd.
KonijnMaar nu kwam de kat op de koord. Die beestjes moesten gevoed worden. Bij den bakker op de markt waren er van die kleine flesjes, met rode pilletjes in, maar met een klein tutterken op. Er werd echt erom gelopen en met twee van zulke exemplaren werden de experimenten uitgevoerd. De flesjes werden gevuld met verwarmde gesuikerde melk. Op de schoot van mama, op een verse handdoek, werden ze met twee tegelijk gevoed. Die roze muiltjes werden opgetrokken, en daar dan dat tutterken ingewrongen, en ja ze zogen eraan. Met veel gezever en gemors dronken ze hun eerste eten op. Het heeft een hele tijd geduurd voor de laatste aan de beurt kwam. Om te weten wie er al gehad had werden er twee dozen gebruikt. Het was een gekrioel in de hongerige doos, in d’ andere waren ze veel rustiger en sliepen ze snel samen bijeengekropen in een hoeksken waar mama een paar oude sokken had gelegd. En dat heeft mama weken lang volgehouden tot ze inmiddels tot halfwas uitgegroeid waren. Ezelkens zijn het echter nooit geworden. Maar onze liefde voor de jonge beestjes was bevredigd.
Het heeft nog een hele tijd geduurd voor we er achterkwamen dat het jongskens waren van wilde konijntjes. Bij het ploegen van de akkers naast den bos had de boer die arme diertjes het leven gespaard voor ons.

 

De Zondag: naar de mis

De zondag had voor ons een heel ander rooster. Mama ging elke zondag reeds vroeg naar de mis in de grote kerk. Om kwart na zes waren de tantes reeds daar, om mee te gaan naar de mis van halfzeven. Zo tegen kwart voor acht waren ze weer thuis. Dan werd de koffie gemaakt en de tantes dronken hun tasje mee. Waarna ze bergop verdwenen.
In de meimaand was er mis in de Kapel en dat was veel dichterbij.

SuisseOpstaan en eten verliep naar het oude recept . De zondaagse kleren moest mama voor ons uit de kast nemen en die zette ze den avond tevoren reeds klaar op onzen stoel aan ons bed. Het wit hemd met stijven col erboven op. Onze schoenen stonden geblonken klaar om aan te doen. Als we in onze zondagkleren rondliepen waren we zo fier als een pauw. Want in die kleren hadden we zakken.
In de week liepen we meest in gebreide pulls,met een korte broek,
Het is een paar jaar de mode geweest dat er pofbroeken of golfbroeken gedragen werden, maar veel gemak hadden we er niet aan. Vooral dat bandje onder onze knie stoorde erg. We hadden liever onze gewone broeken, waar ge mee op de grond mocht ravotten zonder dat het was van :“ Pas op voor uw schoon broek!“
In al die broeken waren ook zakken.
Daar zat onze zakdoek in. Meer een vod die voor alles en nog wat diende behalve de neus in snuiten, daarvoor diende onze mouw. Onze marbels, en een stuksken koord of een elastieksken of een knoop allemaal schatten in onze kinderogen.
In den uitkomen, in den tijd van de meikevers, stak in een stekskendoosje onzen besten preekheer, met een bladje van de haag erbij. Hij was al vast gebonden met een stukje garen aan zijn achterpoot. Maar in ons zondagkostuum stak alleen maar een propere verse zakdoek, en de cent voor het stoelkensgeld.
Toen het uur daar was, vertrokken we in groep naar de mis. Samen hand in hand, zoals het ons opgelegd was, juist voor papa, die op een paar passen volgde.
Langs de zijkant gingen we de kerk binnen, maakten een kruisken met wijwater uit den arduinen wijwaterbak ,en namen dan plaats aan één van de zijkapellen, schoon op een rij. Vandaar konden we de paster, in zijn met goud versierde kazuifel, bezig zien.
Ons stoelkensgeld had mama reeds in onze zakken gestoken, zodat we niet moesten zoeken. Af en toe deed de Suisse zijn tournee, gehuld in zijn met – zilver – afgeboorde – zwarte mantel, met zijn lange lans in de hand en zijn rode sjaal over zijn buik. Een angstaanjagende persoonlijkheid.
Na een preek, waarvan we niets verstonden, en die urenlang duurde, was het niet lang meer of met een kruisken waren we op weg naar huis.
We klauterden terug den Hooiweg op alsof dit bergaf ging. Zo waren we dat bergsken gewoon.
broodSoms moesten we een brood meebrengen van bij den bakker. Een wit boerenbroodje of twee, naargelang. Telkens zochten we in de rij broden dat uit dat veel raakkanten had.
Het brood werd in een papier van de rol gewikkeld en zo onder den arm mee gedragen den bergop. Maar, als papa er niet bij was, waren we nog geen twintig meter ver of het papier werd aan één kant opengetrokken. Er werd naar het zachte raakvlak gevoeld . Eens dat ’t gevonden was, trokken we er een deel van ‘t vel af en begonnen we muisje te spelen. En lekker dat het was.
Het kon soms voorkomen, als de muisjes toch tot diep in het brood hadden gepeuterd, dat mama zei dat ze dat niet graag had. Maar dat gold maar voor een paar dagen. Ze nam dan deze kant om het brood te beginnen en gaf die dan aan de schuldige. Maar dat was geen straf, want juist dat hadden we ‘t liefst aan het brood.
De Zondag werd er ook iets meer zorg besteed aan ’t eten ’s middags terwijl wij nu eerst onze jassen moesten ruilen voor onze pull-overs, onze broek moesten we niet omwisselen. De schone schoenen werden geruild voor de veel gemakkelijker zittende sandalen.
Brute spelletjes zoals met den dop mochten dan niet, en knutselen en zagen ook niet. We zouden ons kunnen vuilmaken en god weet wie er vandaag eens bij ons op bezoek zou komen. Meestal niemand en als er al iemand kwam, mochten we het gezelschap niet storen. Als het goed weer was werd er buiten gespeeld.