Bespreking

Geen ander kunstenaar verdient meer dan Jan De Cooman de hulde van de stad Geraardsbergen, want geen enkel kunstenaar heeft, zoals hij, hulde gebracht aan de stad, aan de Oudenberg, aan haar omgeving.

In het eerste deel van zijn werk zingt hij, picturaal, de lof van de “oude keizerlijke stad” en van de landschappen op en rond de Oudenberg.

Dat hij tijdens zijn leven niet ten volle de waardering genoot waarop hij recht had is te wijten aan hemzelf en aan de tijdsgeest. Inderdaad was de periode tussen de twee wereldoorlogen gekenmerkt door een materialistische bourgeois-geest.

De rijke burgerij, de klasse die zich financieel kon veroorloven kunstwerken te kopen, had alleen oog voor zaken doen, geld verdienen en beleggen met zo weinig mogelijk risico’s. De verworven rijkelui-status moest tot uiting komen in het betrekken van een groot herenhuis, luxueus ingericht, in komfortabel leven, genieten van spijs en drank met daarbovenop, als ontspanning, café- en theaterbezoek.

Cultureel gezien was hun horizon veel te beperkt om geld te spenderen aan de gewrochten van een, in hun ogen, nogal extravagant gekleed lopende artiest.

proefafdruk fotogravureDe Cooman, met zijn bleek gelaat, zijn diepliggende fonkelende ogen, zijn ruige apostelbaard, zijn zachte stem, was de eenvoud en de nederigheid in persoon. Gekleed in fluwelen vest en broek, van onbepaalbare snit, altijd met de breedgerande zwarte vilthoed, ’s winters met de zwarte kapmantel, was hij nochtans een opvallende figuur, gekend door jong en oud.

Het werk was zoals de man: stil, zacht, introvert, dichterlijk, sereen. Hij was een innemend, eenvoudig en in-goed man, een harde werker die, vooral wat betreft zijn etsen, veel experimenteerde en de perfectie zocht. Deze sympathieke man is steeds zichzelf gebleven en heeft zich niet laten verleiden tot ondoordacht, ondoorwrocht en minderwaardig werk dat niet in zijn aard lag. Liever dan een meeloper, een epigoon te zijn in een of andere moderne kunststroming, bleef hij zichzelf, de zoeker naar rust, stilte, poëzie, stemming en verademing, een gelouterd realist of een late romantieker.

De Cooman was een kunstenaar, een begenadigde in de strikte zin van het woord: zijn onderwerp bezielde hem en hij legde er bezieling in; hij herschiep letterlijk zijn onderwerp dat altijd even reëel en gelijkend bleef maar zo veel poëtischer, daarbij geholpen door zijn ongemeen knap tekentalent.

Nooit heeft hij geïmproviseerd en hij heeft zich ook nooit getooid met de veren van een ander door gemakkelijker en minderwaardig nabootsingswerk, volgens de mode van de tijd, te leveren.

Als er dan een evolutie in zijn werk is waar te nemen, dan is dat de ontwikkeling in iedere emstige artiest, die door zoeken en werken verdieping en meesterschap bereikte.

Hij schilderde en etste vooral landschappen, maar hij schilderde ook stillevens, portretten en interieurs. Als ik een algemene lijn in zijn gehele oeuvre zou willen aangeven dan zou die zijn: stille poëzie, zacht geluk, kalme atmosfeer, innigheid en levensgenot.

In al zijn schilderijen toonde De Cooman zich de onderlegde, technisch vaardige vakman, die minutieus de gepaste kleuren koos, compositorisch afwoog en raak borstelde. Zijn stillevens zijn meer dan verdienstelijk.

Enkele van zijn landschappen behoren tot het beste dat door tijdgenoten werd geschilderd, met de speciale nadruk op de boom, het landhuisje, de bloemen, de lucht. Bijzonder geslaagd zijn: “De bloeiende perelaar” (1935), “Het Bloemenhof” (1935), “Avond aan de beek” (1944) en “Wilgen aan de sloot” (1946).

Maar veel hoger schat ik, persoonlijk zijn “boereninterieurs” met het zachte spel van licht en schaduw op tegelvloer en balkzoldering, op Leuvense kachel, bakstenen haard en biezen stoelen. De goed afgewogen kleurschakeringen brengen een atmosfeer van rust en stilte, een tere poëzie, een ingetogen levensgenot.

Picturale toppers zijn: “Zon in boerenkeuken” (1919) en “Interieur te St.-Lievens-Esse” (1934).

Geregeld schilderde De Cooman portretten: de beeltenis van door hemzelf uitgezochte typen (van de hovenier, van zijn vrouw, een pijproker of een stopster) of, in opdracht, het konterfeitsel van een notabele, een familielid, een vriend.

Alhoewel de mens in zijn landschappen en interieurs heel zelden voorkomt bewees De Cooman, in zijn portretten, dat de menselijke houding en anatomie, het gebaar, de blik, voor hem geen geheimen hadden.

Het portret is geen foto. Het legt een deel van de ziel, het karakter, de gemoedstoestand van de geportretteerde bloot. Uiteraard bevinden de meeste portretten zich in privé-bezit zodat men zich voor het vellen van een oordeel tot een paar stukken moet beperken.

Op veel lager niveau staan de vier kruiswegen, geschilderd tussen 1927 en 1939. Men vergete niet dat de kunstenaar in zijn vrijheid belemmerd was: opgelegd werk, opgelegde manier van uitvoeren.

Hoeveel pentekeningen Jan De Cooman gemaakt heeft weet ik niet maar het moeten er vele honderden zijn. Hij heeft eigenlijk heel zijn leven getekend: potloodschetsen, houtskooltekeningen, pentekeningen, tekeningen met etsnaald, droge naald, burijn. Men zou bijna zeggen dat De Cooman alle mooie hoekjes, alle bezienswaardigheden van Geraardsbergen getekend heeft.

Het zijn werkjes zonder pretentie, maar hoe handig getekend, hoe wel doorwrocht, hoe secuur uitgevoerd.

Bekijk maar eens aandachtig, liefst met een vergrootglas, de fijne schetsjes, zoals ze afgedrukt staan in het “wandelboekje van Geraardsbergen” van Leo Van Nieuwenhove (drukkerij Victor Van Nieuwenhove, Markt Geraardsbergen, z.d. maar waarschijnlijk 1928), of op de propagandafolder in 1938 uitgegeven door de V.V.V. “Geraardsbergen in de Vlaamsche Ardennen”. U zult getroffen zijn door de natuurgetrouwe weergave. U zult de kunstenaarsblik volgen en de vaste hand van de tekenaar voelen. U zult in bewondering staan voor dit virtuoze spel van lijntjes en het monnikengeduld van de tekenaar.

In deze periode 1927-1928 zijn de twee series etsen over Geraardsbergen ontstaan. Ik meen zelfs dat deze op het eerste zicht eenvoudige pentekeningen, de voorstudie waren, de oefenboeken vormden van die merkwaardige en waardevolle etsen.

altIn de etskunst is het dat De Cooman tot volle ontplooiing kwam, dat hij het beste van zichzelf gaf. Sinds enkele jaren worden de etsen van De Cooman in kunstmiddens hoog geschat en door liefhebbers gezocht. (Op een veiling in Aalst in 1975, werden twee etsen “In mei” en “Wilgen langs de sloot”, formaat 40 x 50, verkocht voor respektievelijk 20.000 en 30.000 BF! ).

De etskunst is een moeilijke kunst: ze vereist een groot deel vakkennis en enorm veel “feeling”, slechts te bereiken na jarenlang proberen en experimenteren. Daarenboven stelt iedere nieuwe ets nieuwe problemen. Telkens in het weer wegvegen of bijvoegen of retoucheren, om tot een afdruk te komen die bevrediging schenkt. Slechts wie haarfijn en precies kan tekenen, voor wie elke lijn haar betekenis heeft, voor wie geen enkele lijn overbodig is, mag zich aan de etskunst wagen.

De Cooman was in de eerste plaats een scrupuleus waarnemer en een begaafd tekenaar.

In de landschapsetsen van Geraardsbergen en dan vooral in de winterlandschappen valt het op hoe belangrijk de lijn is, vooral als men de bomen in het landschap bekijkt.

De Cooman stelde zelf zijn pers samen en trok zelf zijn etsen, op weinig exemplaren (eerste serie Geraardsbergen: 25, tweede serie: 50)

De verschillende technieken kreeg hij geleidelijk onder de knie: eau-forte, droge naald, vernis mou, burijn, aquatint, combinaties van verschillende technieken (o.a. voor de prachtige etsen over “Averbode”:eau-forte, burijn en droge naald) heeft hij meesterlijk op papier gebracht. Toch zal men nooit De Cooman op één lijn zetten met grootmeesters als Dürer, Rembrandt of, dichter bij ons, Jules De Bruycker en Felicien Rops, omdat De Cooman te veel visie is en te weinig imaginatie, te nauwkeurig en te verstandelijk werkt en te weinig plaats laat aan de transpositie m.a.w. hij tilt het onderwerp te weinig vanuit de banale realiteit in de geestelijke sfeer.

De zes etsen van de abdij van Averbode stijgen boven zijn ander etswerk uit: uit het onderwerp, het kerkinterieur, stijgt gewijde stilte op. De oordeelkundige verdeling van klare en donkere ruimten en vlakken intensifieert de opgeroepen emotie en doet denken aan de beste etsen van Gustave Dore.

Artikel geschreven door Gaston Imbo (verschenen in “De Heemschutter” in 1992)