Vervoer en transport

De Grote Bareel

We hadden in de stad nog een andere passerelle. Op den Kalottenberg (Oudenaardse Poort) dwarste den ijzeren weg met de straat. Het station was daar maar een honderd meter van af.

de grote bareel

 

Toen had Geraardsbergen nog een rangeerstation van betekenis en met een afgedankte locomotief werden daar nog de wagons gerangeerd (aan elkaar, op de juiste volgorde verbonden). En dat gaf telkens een zware dreun, als die wagons tegen elkaar aanbotsten. Maar dat druk station gebruikte toen alle sporen tot voorbij de overweg. Aan den overweg waren er zeker tien of twaalf sporen, en daarachter volgde nog een spoor van den tram.Het was zelden dat ge met een kar, of met een auto, direct kon doorrijden. ’t Was telkens van wachten. Om dat voor de voetgangers te vermijden was er een passerelle gebouwd over alle sporen. Die werd druk gebruikt, ook door de fietsers

Als ge daar dan met den auto voorstond, moest ge ne keer ferm toeteren en dan kwam een spoorman met een rode vlag uit zijn kot en keek wat er was. Dan trok hij weer naar binnen belde eerst met de chef om te zien of er geen trein moest binnenkomen, nam zijn toeter en ging tot ’t halven de sporen staan en blies enkele keren. Toen kwam hij weer naar zijn bareel, en draaide die langzaam open. Hij deed teken dat ge rap moest zijn en ge waart er nog maar juist over, of ze ging weer toe. Mensen van ’t stad, die de binnenstraatjes kenden, reden dan maar naar ‘’t holleken’ op de reep om dan langs de tramstatie de richting Oudenaarde te nemen.


Externe foto (getoond in een nieuw venster):
postkaart van de spooroverweg aan de Oudenaardse poort, anno 1900 


Over reizen met de trein vertelt Em. De Cooman ook in het artiel “Tweede Nieuwjaar” toen ze met de trein van Geraardsbergen naar Zandbergen gingen.
 

 

 

De Tram

Aan den overkant van de bareel was rechts de tramstatie. Er waren verschillende sporen naast elkaar.

de stoomtramOnder enkele afdaken stonden wagonnetjes op een rij en van voor stond een zwarte rookuitspuwend groen gedrocht met veel koper en van voor twee grote koperen lampen tussen de twee massieve buffers. Daaraan hingen, achter de onafscheidelijke vrachtwagon, een paar reizigerswagonnetjes, daar moest ge van voren of van achter instappen, zeg maar inklauteren, zo hoog was dat, en ge stondt al op een verhoogje, en achter u stonden anderen te drummen, om een goed plaatsje te bekomen. Uw ticket moest ge later bij de chef-garde kopen. Die schreef uw bestemming op een klein voorbedrukt papiertje, ge moest dat goed bijhouden voor uw terugreis. Doordat die wagentjes zo kort waren, konden ze korte draaien nemen. Veel comfort was er niet aan, in de winter werden die houten wagonnetjes, met houten zitbanken, verwarmd met een klein kolenvuurtje. Door de zwaar bedampte ruiten en de dikke pijpenrook kondt ge met moeite het landschap zien. Dus werd er gezocht naar een plaatsken bij de ruiten. Met onze mouw vaagden we de ruiten schoon maar na enkele minuten was het weer van dat en mochten we weer wrijven.
In de zomer zorgden de halfopen wagonnetjes, zonder deur, voor de koelte. Omdat hun klanten meestal ‘boerkens’ waren ,en ’s morgens met een bende schoolkinderen uit de naburige dorpen, noemden ze dat in ‘t stad den ‘boerentram’. In tegenstelling tot Ninove, dat toen reeds een elektrische tram had, maar ja, die reed naar Brussel.
Een keer heb ik maar meegereden, en het was maar tot ‘Sintsjans’ (Hemelveerdegem. ) Na het fluitjessignaal zette het gevaarte zich hortend en stotend in beweging. Op de weinige rechte stukken ging dat tamelijk snel maar dan werd er bruusk geremd en vlogen we bijna met ons gezicht tegen de bank aan den overkant dan weer vlogen we naar links als hij den draai nam en dan stoomde hij weer gezapig verder. De mensen die rechtstonden moesten zich telkens goed vasthouden aan de lederen riemen die aan het dak verbonden waren, zo slingerden ze heen en weer. De vrouwen giechelden luid als er enen sakkerend met zijn arm tegen iets aanbotste. De reizigers op de banken probeerden in hun gazet te lezen maar het was onbegonnen werk, ze werden dan maar van armoede opgeborgen.
De tramstatie in Geraardsbergen
’t Was raar hoe dat ging, tussen de huizen door, bijna tot tegen de beek en dan soms tussen de koeien, en dan plots aan de kant van de straat, tot ge daar dan stond, midden op een plein vóór de kerk. Via een verhoogje mocht ge afstappen, maar ge moest u toch goed vasthouden aan de koperen trapleuning, want het was een diepe stap naar beneden.
En maar roken dat dat machientje deed. De vuurhaard stond open, en de stoker schepte uit een hoek met een grote troefelschop maar kolen in die bak, terwijl de rook maar zwarter en zwarter werd. De deur van den oven ging dicht. De machinist kwam even door een raamken kijken, met een zwarte veeg over zijn gezicht. Alleman was opgeladen en als laatste wachtte de chef-garde op het verhoogje. Hij keek eerst nog naar zijn zakuurwerk, en gaf , met zijn fluitje, het teken om te vertrekken.
De machinist trok hij aan een kettingske en daar ging de stoomfluit, met een witte stoomsliert kwam daar een schril geluid uit. De begeleider deed nog een teken, stapte in en de tram kon verder.
Tussen de zwarte rook spoot een witte pluim omhoog. Het gevaarte rammelde en er kwam piepend beweging in de voorste wielen, ze draaiden gierend, loos rond, maar meer en meer kregen ze vat op de glimmende spoorstaven en de rest kwam lusteloos hotsend en botsend mee in versnellende beweging. Hij verdween langs een smalle doorgang, tussen de huizen een geur van smeulende kolen achterlatend.
Af en toe fluitend, om een koe die in de weg liep, of om de straat over te steken, want hij stoomde soms ook naast de straat . Erg snel was hij niet, maar ge kwaamt veilig en goedkoop ter bestemming. De halte was een klein verhoog om af te stappen. Signalen of barelen kenden die kleine duivels niet. Ze werden later vervangen door mazouttrams die op hetzelfde traject voeren. Ook die zijn, met al hun romantiek, nu verdwenen en vervangen door bussen.

Naar Zandbergen

Ook bij onze tochten naar Zandbergen konden we het eens lukken dat we, na de akelige slechte wegen door Grimminge, voor een gesloten brug stonden, en rustig het voorbijvaren van een of ander schip maar moesten afwachten.
Sleepboot op de Dender in Zandbergen
René, den bruggendraaier, deed van verre teken, hij stond al aan de bareel om ze toe te schuiven, maar ons oud karretje was niet van de rapste, en de weg was zo scheef en slom en slecht, dat papa hem dan teken deed, dat we toch tijd hadden. Zo konden we eens van nabij zien, hoe een sleepboot in zijn werk ging. Wat die berm kolen daar deed, en waar die stoom gemaakt werd. En van die schroef die in dat water draaide. Alle uitleg gaf papa ons .
Hoe die brug werkte, want het was van een andere soort dan deze die we in Geraardsbergen gewoon waren van zien. Als de vaartuigen voorbij waren zagen we René naar een toestel gaan en daar begon hij aan te draaien en de stalen kabel bewoog. Het brugdek daalde langzaam naar beneden tot het een groten bonk gaf. Dan verliet René zijn zwingel en kwam een grote grendel toedoen, dan deed hij de bareel open , en na een korten babbel met mama en papa reden we door, naar Bommama en Bompapa.
Daar hebben we den helen zondagnamiddag geredeneerd over dat scheepstrekken, van hoe dat veel vroeger ging.
Toen we vóór valavond huiswaarts naar Geraardsbergen trokken, was het puur toeval, dat daar dan juist een vlot bomen voorbijvoer. Van aan den Doornberg kwam een drollig gevaarte aanvaren.
Boomvlot op de Dender
Kris kras door elkaar gestapelde en met dikke kettingen vast gesjorde boomstronken lagen op het water en dreven langzaam naar de smalle brug toe. Op den tragel trok een zwaar trekpaard het geheel in matig rustige pas voort. Zijn begeleider liep er rustig naast. We dachten elk moment een toeter te zullen horen, maar nee, dat gebeurde niet. Het kon zichtbaar onder de brug door. Maar René, den bruggendraaier, kwam toch maar kijken, kwestie dat ze ‘zijn brug’ zouden kunnen beschadigen. Maar het waren bekenden en ze wisselden enkele woordjes over en weer. Op enige meters van de brug hield het paard op met trekken en stond stil. De vracht voer langzaam verder. De menner nam de nu slappe kabel vast, en droeg hem over het vaste bruggedeelte en haakte terug aan. Nu mocht het paard weer verder, want het vlot dreigde stil te vallen. Eens de kop van het vlot door de bruggeul door was, kon het zware dier langzaam weer aanspannen. Ondertussen stuurde de vlotman met een lange stok, het vlot mooi door de geul, ver weg van de ‘dukdalven’ (bruggenhoofd: palen geplaatst vóór en na de brug, om deze te beschermen ). Nog een groet aan René en langzaam voer het vlot verder de bochtige Dender op, richting Geraardsbergen naar de stekskens fabriek van de Zweden. Het was een reis die wel veel vaardigheid vereiste. Het paard had reeds vele malen dit trekje gedaan en kende de goede houding en pas om er een goede vaart in te houden. Maar de vlotman had echt geen rust, telkens moest hij bijsturen met zijn lange steunstok . Het vlot werd onderweg regelmatig gekeurd en nagegaan of de kettingen nog goed spanden, want vóór het sas van Idegem was er veel te draaien en te manoeuvreren, om tussen de smalle sasmuren door te varen. Maar eens daar voorbij konden ze varen tot in ’t stad. Maar dat zal wel de volgende dag geweest zijn.
Het was langzaam rijden dien avond, want erg sterke lampen had ons Citroëntje niet, maar wij hadden veel geleerd.

De Boomezel

De stekskensfabriek was toentertijd een grote afnemer van hout. Zodat het hout van alle kanten werd aangevoerd.
Veel hout werd met de trein aangebracht. Het meeste werd echter uit de nabije streken aangevoerd. Meestal met een boomezel.

De boomezel
Zo kon men er soms enkele tegenkomen, als we met den auto ergens naartoe gingen. Ze waren meestal in groep, met een stuk of vier boomezels. Dan was het opletten geblazen . Van ver, als we ze tegemoet reden, werd er een veilige plaats gezocht om te wachten tot ze voorbij waren, want ze zwaaiden soms over heel de straat. Ze waren soms met vier of vijf spannen kort achtereen en de menners hadden het echt niet gemakkelijk om die kromme gevaarten rechts op de kasseiwegen te houden, in elke put zwierden de bomen links en rechts. Maar eens voorbij hadden we baan weer vrij, praktisch voor ons alleen.
Maar een gespan voorbij steken was een hele karwij. Papa heeft ze zelden voorbijgereden. Liever bleef hij er achter, en als hij een andere baan kende, nam hij deze dan. Of anders bleef hij er doodgewoon achter, op zijn gemak, en stak een cigarillo aan. Hij kende hun gewoontes een beetje, en kijk, daar hebt ge het al. Een hele rij van vier stonden rustig aan de kant, aan een herberg te praten, en deden teken, dat we veilig door konden. Ze hadden dorst en de paarden ook. Ze zwaaiden een vriendelijke groet, en we wuifden ze nog eens na en we reden door. Toen hadden de mensen nog tijd.
Boomhakker was toen een gevaarlijk en zwaar beroep, maar de bomen ter plaatse brengen ook.
Nog al dikwijls werden we ’s middags, na de school, verrast door zo een gevaarte. Een paar krachtige paarden kwamen de Begijnenstraat in. En ofwel bleven we veilig binnen het poortje, ofwel liepen we snel rechtdoor naar de Grote straat. De prachtdieren met wuivende manen, en prachtig met koper versierde garelen kwamen woest aangestapt. De menner had moeite hen te volgen. De lange zweep hing boven de halve wilde dieren, met daarachter een groot, zwaar, zwiepend gevaarte.
Onder een grote ijzeren boog, tussen heel grote wielen met ijzeren banden, hingen twee of drie lange stammen. Krom of recht zoals ze gegroeid waren, bengelden ze met grote ijzeren haken, aan de dikke kettingen. Een dikke balk, met de ijzeren brug verbonden, had van vóór een armdikke trekhaak. De koppen van de bomen sleepten vooraan op den grond en lieten een spoor van schors en houtvezels na. In een putje, en er waren er veel, slingerde het hele gevaarte links en rechts. De menner liep naast zijn beesten en maande hen aan tot rust. Maar opgezweept door die bende uitgelaten kinderen, stapten ze stoer voort. Aan de hoek van de Grote straat moest er rechts op gedraaid worden. Hij sprong naar de grote haak, en met een krachtige vloek werden de dieren tot stilstand gedwongen. Hij liet ze een poosje bekomen, en ging er dan kordaat naartoe en nam ze bij den breidel en begon langzaam de moeilijke bocht te nemen.
De brede ijzeren banden blonken en schoven en slibberden over de ronde kinderkoppen. De krachtige paarden waren nat van het zweet en het schuim kwam uit hun mond. De neusvleugels stonden wijd opengesperd. Enkele rustige woorden deden wonderen en de nu rustige beesten bewogen langzaam en zo nam hij in alle kalmte en met groot gemak de moeilijke draai.
Daarop volgde de draai naar de Gasthuisstraat ook in langzame pas. De bomen slingerden heen en weer, maar de dieren waren nu rustig en voelden de sterke hand van hun baas. De twee kwaadste draaien van het hele traject waren genomen, en nu konden ze kalm naar de fabriek gaan. Hier in de Gasthuisstraat, was toch geen verkeer. Ze zullen wel een pintje verdiend hebben. Persoonlijk heb ik toch een paar keren gezien dat een boomstronk beland is in de vitrine van de boekenwinkel, op den hoek van de Grotestraat. Met heel veel schade en werk voor de politie en verzekeringen.

Een Duiker

Op een keer, in den uitkomen, kwam er op een namiddag een eigenaardig schip aanleggen, niet ver van de Passerelle. Er stond een hogen toren op en op een tweede ponton, dat ernaast kwam liggen, lagen op het dek veel lange zware ijzeren platen met een eigenaardige vorm.
’s Anderdaags zijn we wel wat vroeger van huis vertrokken, om te weten wat dat was. Veel was er nog niet veranderd, maar we zagen een rookpluim uit de hoge dikke schouw komen, dus er was iets op komst. Op het effen dek vooraan stond een spel met hefbomen en veel caoutchouc darmen. Er was er enen die zei, dat ze gingen buizen onder den vaart steken voor den telefoon. We wachtten af.

De heibok
‘s Noenens hing er zo een plaat aan een kabel omhoog en daarboven op stond een zware machine die stampte werkelijk de plaat in de grond, en telkens dat het een dikke stoompluim liet vliegen, trok dat een gewicht omhoog en dan liet het dat plots los, het ging dan van: boem, en weer een stoompluim en weer boem. De grond waar we stonden daverde, en weer zakte de plaat enkele centimeter en zo ging dat door, de ene slag na de andere.
Boem, boem en die plaat bleef maar zakken, ze was zeker vijftien meter lang. Toen ze zowat twee meter boven de kademuur uitstak daalde ze veel minder, tot ze nog maar een centimeterke meer zakte en ongeveer gelijk kwam met het dek van die rare boot. Dan werd alles losgemaakt. (ze noemden dat heien met een heibok vb. om een afdamming te maken). Wij moesten ons nog haasten om naar huis te gaan eten, we hebben geschrokt dien middag, want we moesten er alles over weten. In het weerkomen waren ze juist bezig een andere plaat in een gleuf van de eerste te passen, en daarna de zware hamerkop er aan te verbinden. De eerste bonk werd gegeven, zodat we voort konden en nog juist binnen geraakten. De zware bonken konden we tot in de klas horen en voelen. Toen de meester wilde weten wat dat was, hebben we hem de volledige uitleg gegeven. De klas kon niet rap genoeg gedaan zijn, want we wilden dat allemaal meebeleven. De hele namiddag werd er duchtig op los gebonkt, en om vier uur waren reeds vier platen in de vaart geheid. Stilaan lieten de werklui wat meer weten over het doel van de werkzaamheden. Er kwam een armdikke telefoonkabel onder de Dender. Dagenlang werden heipalen geklopt, tot ze de vorm van een halve cirkel hadden en op ruim vier meter terug aan de kademuur waren. Toen legden ze een grote motorpomp aan. Die spuwde met groot geweld een massa water even verder in de stroom. Het water tussen de platen begon te zakken centimeterke voor centimeter. Wanneer het zo een twintig centimeter gezakt was, kwamen tussen de platen straaltjes water te voorschijn, de pomp gaf nu volle kracht en het water zakte sneller en sneller, maar opeens kwam van tegen de kaaimuur een gulp water instromen.
De man van de pomp gaf luidop een dikke vloek te horen, en deelde zijn bevelen uit. Zandzakken werden gevuld en aangesleept en tegen de kaaimuur neergelaten tot er enkele boven het water uitstaken. Er sprong een stoere kerel vanuit een sloep op de zakken en begon er voluit op te stampen. Het instromen minderde en viel uiteindelijk stil op enkele druppels na.
Dan werd het pompen stilaan hervat, en nu was het de andere kant die zijn parten speelde. En weer werden de zandzakjes aangesleurd en in het water geploft en met de voeten aangestampt. Het water bleef maar zakken en wij konden van op den oever niets meer zien. De pomp werd op lager toerental gezet en alles in gereedheid gebracht voor de werken van morgen.
S’ anderdaags toen we voorbijkwamen keken we raar op, een man, in een dikke lederen of was het een caoutchouc kostuum, stond daar op het dek, een andere had een groten roodkoperen bol in de hand, met vooraan een ronde opening, dikke darmen en een dikke kabel werden verbonden met de verschillende toestellen. Hij zette dit op de kop van de lederen man. Een paar begonnen aan iets te draaien en de chef van de bende schroefde een glas op die opening. Duiker in de Dender

De duiker zat gevangen, zware loden gewichten werden op zijn borst gehangen en met zijn zware loden schoenen stapte hij langzaam naar de ladder om in de put af te dalen, maar wij moesten snel verder. Wat hij daar deed weten we niet, maar de mannen aan de pomp draaiden immer regelmatig voort. Dagen heeft hij daar in dat donker gat doorgebracht . Op een dag was het werk gedaan, de platen werden stuk voor stuk uitgetrokken, en op een dag voer het schip weg.
Een interessante episode was voorbij.